ECLI:NL:RBDHA:2022:10486
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning studie wegens uitschrijving onderwijsinstelling niet onredelijk
Eiser, een student met de Bengalese nationaliteit, kreeg in 2019 een verblijfsvergunning regulier voor studie. Deze vergunning werd ingetrokken omdat hij per 1 september 2020 was uitgeschreven bij de erkende onderwijsinstelling, een vereiste voor het verblijfsdoel studie.
Eiser betoogde dat hij tijdelijk niet kon betalen vanwege Covid-19 en dat hij zich inspande voor herinschrijving, waardoor intrekking onevenredig zou zijn en in strijd met de Studierichtlijn en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Verweerder handhaafde het besluit op grond van het feit dat eiser niet meer voldeed aan de voorwaarden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was tot intrekking en dat het beleid dit voorschrijft. De door eiser overgelegde inschrijvingsprocedures waren onvoldoende om te concluderen dat hij inmiddels voldeed aan de voorwaarden. De stelling dat het besluit strijdig was met de Studierichtlijn en het evenredigheidsbeginsel werd verworpen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat de vereiste connexiteit ontbrak. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning studie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.