ECLI:NL:RBDHA:2022:10590
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende aannemelijkheid vrees voor oom en hekserij
Eiser, een Ivoriaanse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel nadat hij vreesde voor zijn oom in Ivoorkust vanwege mishandeling, bedreiging en mogelijke beschuldiging van hekserij via voodoo. Hij had eerder een asielaanvraag ingediend die niet in behandeling werd genomen omdat Italië verantwoordelijk was.
De rechtbank oordeelde dat de vrees van eiser niet voldoende aannemelijk was gemaakt. De bedreigingen dateren uit 2014, en in de periode daarna heeft eiser geen problemen ondervonden. Ook is niet aannemelijk dat de Ivoriaanse autoriteiten hem niet kunnen of willen beschermen, temeer daar hij aangifte heeft gedaan en de politie toezegde de zaak te behandelen.
De rechtbank concludeerde dat de elementen van het asielrelaas niet onder de gronden van het Vluchtelingenverdrag vallen en dat de vermoedens van eiser onvoldoende zijn onderbouwd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep op de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de vrees en het ontbreken van bewijs dat de autoriteiten geen bescherming bieden.