Verzoekster, met de Guinese nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen als kennelijk ongegrond bij besluit van 14 januari 2022. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 8 februari 2022, waarbij verzoekster werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk aanwezig was. De gemachtigde van de verweerder nam deel via Skype.
De rechtbank heeft inmiddels op dezelfde dag uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL22.1007). Hierdoor achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.