Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning als partner van een in Nederland verblijvende persoon. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen vrijstelling van dit vereiste kon krijgen. Tevens legde verweerder een inreisverbod van twee jaar op.
Eiser voerde aan dat het onevenredig hard was om het familieleven met zijn partner in Nederland niet voort te zetten, mede vanwege de zorgbehoefte van de meerderjarige zoon van zijn partner. De rechtbank oordeelde dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden voldoende had meegewogen, waaronder het feit dat eiser sinds afwijzing van zijn asielaanvraag in 2017 niet rechtmatig verbleef en dat er geen objectieve belemmeringen zijn om het familieleven in Nigeria voort te zetten.
De rechtbank vond dat het belang van de Nederlandse staat om de voorwaarden voor verblijfsvergunningen te handhaven zwaarder woog dan het belang van eiser. Ook het opgelegde inreisverbod was gerechtvaardigd gezien het niet naleven van het terugkeerbesluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser werd vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht.