AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening toegewezen tegen afwijzing aanvraag artikel 64 Vreemdelingenwet 2000
Verzoeker, een Armeense asielzoeker, diende op 8 maart 2021 een aanvraag in op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000, die door verweerder werd afgewezen. Verzoeker stelde bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling van griffierecht en verleende deze. Hoewel verweerder betoogde dat het spoedeisend belang ontbrak vanwege het ontbreken van een concrete uitzettingsdatum, stelde de voorzieningenrechter dat het bestaan van een terugkeerbesluit en de dreiging van uitzetting voldoende spoedeisend belang vormden.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verweerder niet op de inhoudelijke argumenten was ingegaan en niet ter zitting was verschenen, waardoor het belang van verzoeker om in Nederland te blijven wachten op de beslissing op bezwaar zwaarder woog. De voorlopige voorziening werd toegewezen, het primaire besluit geschorst en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €759,00.
Er werd geoordeeld dat artikel 64 VwPro niet op verzoeker van toepassing was omdat medische zorg in Armenië beschikbaar is en geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRMPro bestond. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken na beslissing op bezwaar.
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vreede), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 18 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om toepassing van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 februari 2022 op zitting behandeld. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het verschuldigde griffierecht. Verzoeker heeft voldoende aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor deze vrijstelling. De rechtbank verleent verzoeker daarom vrijstelling van de betaling van griffierecht.
2. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1967 en heeft de Armeense nationaliteit. Verzoeker heeft op 23 juli 2014 een asielaanvraag ingediend, welke aanvraag op 17 december 2014 is afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen rechtsmiddelen ingesteld. Bij uitspraak van 20 januari 2015 heeft de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. Verzoeker is na deze uitspraak in Nederland gebleven in verband met aanvragen van hem, dan wel zijn gezinsleden die verband houden met medische redenen. Verzoeker heeft op 8 maart 2021 de huidige aanvraag ingediend.
3. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Uit het advies van het Bureau Medische Advisering van 17 mei 2021 blijkt dat verzoeker in staat is om te reizen onder voorwaarden. Bij het uitblijven van de medische behandeling wordt een medische
noodsituatie op de korte termijn verwacht, maar de noodzakelijke medische behandeling is in Armenië aanwezig. Verzoeker heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de noodzakelijke medische zorg in Armenië voor hem niet toegankelijk is. Er is geen sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op het voorgaande is artikel 64 vanPro de Vw niet op verzoeker van toepassing.
5. Verweerder heeft zich in het verweerschrift van 2 februari 2022 op het standpunt gesteld dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat er geen concrete uitzettingsdatum bekend is.
6. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van verweerder niet. Het feit dat verzoeker verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds mee dat er sprake is van een spoedeisend belang. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat tegen verzoeker een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dat nog steeds geldt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang gegeven met de vaststelling dat uitzetting dreigt voordat op het bezwaar zal zijn beslist.
7. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat het bezwaar- en verzoekschrift van verzoeker inhoudelijk onweersproken is gebleven. Verweerder heeft niet gereageerd op de argumenten uit het verzoekschrift en is ook niet op de zitting verschenen om een standpunt toe te lichten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het belang van verzoeker om de bezwaarprocedure in Nederland te kunnen afwachten zwaarder weegt dan het belang van verweerder.
8. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit. Dit betekent dat verzoeker de beslissing op zijn bezwaar hier in Nederland mag afwachten.
9. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Die punten hebben een waarde van € 759,00 bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 759,00.
10. Omdat de rechtbank verzoeker heeft vrijgesteld om griffierecht te betalen, hoeft verweerder het griffierecht niet te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk - Salomons, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
16 februari 2022
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Documentcode: [documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.