ECLI:NL:RBDHA:2022:10855
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak afwijzing verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een document op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan aantoont. Dit verzoek is door verweerder afgewezen in het primaire besluit van 16 februari 2021. Het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit is eveneens ongegrond verklaard in het besluit van 1 juni 2021.
Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld door verzoekster. Zij heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De zitting vond plaats op 21 februari 2022, waarbij verzoekster en haar gemachtigde niet verschenen, en verweerder met bericht van verhindering eveneens niet aanwezig was.
De rechtbank heeft bij uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer AWB 21/3807) het beroep van verzoekster ongegrond verklaard. Gezien deze uitspraak is er geen grond meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, die daarom is afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen na ongegrondverklaring van het beroep tegen de afwijzing van het verblijfsdocument.