ECLI:NL:RBDHA:2022:10909

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 september 2022
Publicatiedatum
21 oktober 2022
Zaaknummer
AWB 21/6692
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugkeerbesluit met vertrektermijn van 28 dagen en intrekking inreisverbod

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, kreeg op 20 oktober 2021 een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen en een inreisverbod van twee jaar. Tegen dit besluit stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag.

Tijdens de zitting van 14 juli 2022 werd het beroep tegen het inreisverbod ingetrokken, nadat verweerder had medegedeeld dat het inreisverbod was opgeheven. De beoordeling van de rechtbank richtte zich daarom uitsluitend op de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit met de vertrektermijn.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit terecht was opgelegd, aangezien eiser geen rechtmatig verblijf had. De vertrektermijn van vier weken volgt rechtstreeks uit artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en vereist geen nadere motivering. De beroepsgronden van eiser tegen de motivering konden daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 9 september 2022 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag gedaan.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit met vertrektermijn van 28 dagen is ongegrond verklaard en het inreisverbod is ingetrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/6692

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2022 in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.S. Jordan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.R. Scholtens).

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.
Eiser is geboren op [geboortedag] 1982 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2. Bij het bestreden besluit is aan eiser een terugkeerbesluit [1] met een vertrektermijn van 28 dagen en een inreisverbod [2] voor de duur van twee jaar opgelegd.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Op wat hij aanvoert gaat de rechtbank hierna – voor zover relevant – in.
4. Verweerder heeft in de brief van 6 juli 2022 de rechtbank laten weten dat het inreisverbod inmiddels is opgeheven.
5. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser bevestigd dat het beroep gericht tegen het inreisverbod wordt ingetrokken.
5.1.
De beoordeling in deze zaak beperkt zich daarom tot de vraag of verweerder eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen mocht opleggen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Terugkeerbesluit
6. Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Dit betekent dat verweerder hem terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd.
6.1.
Artikel 62, eerste lid, van de Vw bepaalt dat de vreemdeling jegens wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken dient te verlaten. Het tweede lid van dit artikel biedt mogelijkheden om deze termijn van vier weken in de daar genoemde gevallen te verkorten of geheel te onthouden.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in dit geval een vertrektermijn van vier weken heeft gesteld. Die beslissing hoeft, gelet op artikel 62, eerste lid, van de Vw geen nadere motivering. Dat betekent dat de motivering in het bestreden besluit voor het stellen van deze termijn – onder meer inhoudend dat wordt gevreesd dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken – ten overvloede is gegeven.
6.2.
Eiser heeft uitsluitend beroepsgronden aangevoerd tegen de motivering die verweerder heeft gegeven ter onderbouwing van de gegunde vertrektermijn. Nu deze vertrektermijn rechtstreeks volgt uit de wet, kunnen de beroepsgronden van eiser niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr.J.R. van Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
9 september 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 66a, tweede lid, van de Vw.