ECLI:NL:RBDHA:2022:10942
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker op grond van Dublinverordening
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen vanwege de verantwoordelijkheid van een andere lidstaat op grond van de Dublinverordening. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening om de overdracht aan de andere lidstaat op te schorten zodat verzoeker zijn beroep in Nederland kan afwachten.
De rechter stelt vast dat het beroep niet binnen de overdrachtstermijn kan worden behandeld, waardoor onverwijlde spoed is gegeven. Gelet op het belang van verzoeker om bij de zitting aanwezig te zijn, weegt dit zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om verzoeker tijdig over te dragen. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toegewezen.
De voorzieningenrechter bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker in Nederland mag blijven tot de behandeling van zijn beroep. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €759,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt geschorst en verzoeker mag zijn beroep in Nederland afwachten; verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.