ECLI:NL:RBDHA:2022:11
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en niet verlengen van tijdelijke aanstelling bij Defensie
Eiser was sinds juni 2017 tijdelijk aangesteld als burgermedewerker bij Defensie, met verlenging tot mei 2020. Eiser stelde dat hem toezegging was gedaan dat zijn tijdelijke aanstelling telkens met twee jaar zou worden verlengd tot zijn pensioen in 2024, wat hij baseerde op een telefoongesprek en e-mailcorrespondentie met een brigadegeneraal.
Verweerder ontkende dat een dergelijke toezegging was gedaan en stelde dat het bestuursorgaan niet verplicht is een tijdelijke aanstelling te verlengen. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een concrete toezegging tot verlenging tot aan zijn pensioen is gedaan. De mededelingen van de generaal betroffen slechts een mogelijke tijdelijke aanstelling van twee jaar met wederzijds goedvinden.
De rechtbank stelde vast dat het bestuursorgaan niet in strijd met het recht heeft gehandeld door de tijdelijke aanstelling niet te verlengen. Het bezwaar tegen de brief waarin eervol ontslag werd meegedeeld was niet-ontvankelijk omdat dit geen besluit in de zin van de Awb is. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat het bestreden besluit niet onrechtmatig was. Ook werd geen dwangsom toegekend wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, omdat de ingebrekestelling niet correct was ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Kleijn op 4 januari 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet verlengen van de tijdelijke aanstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.