ECLI:NL:RBDHA:2022:11051
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas
Eiser, een Ugandees, diende een opvolgende asielaanvraag in nadat zijn eerste aanvraag was afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van zijn verhaal over desertie, detentie en betrokkenheid bij generaal A. In de tweede aanvraag stelde eiser dat hij door de autoriteiten werd gelokt om tegen generaal A te getuigen en dat hij vreest te worden gedood.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het asielrelaas terecht ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij voor generaal A of het bedrijf waarvoor hij zou hebben gewerkt daadwerkelijk werkzaam was, ondanks overgelegde foto's, betalingsbewijs en een getuigenverklaring. Ook de nieuwe stukken, waaronder een krantenartikel en een arrestatiebevel, boden onvoldoende overtuiging.
De rechtbank benadrukte dat eiser geen verklaring gaf voor eerdere tegenstrijdigheden in zijn verhaal en dat verweerder niet hoefde aan te nemen dat het arrestatiebevel bedoeld was om hem te dwingen te getuigen. De aanvraag werd daarom terecht als kennelijk ongegrond afgewezen en het beroep ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.