ECLI:NL:RBDHA:2022:11158

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 oktober 2022
Publicatiedatum
27 oktober 2022
Zaaknummer
SGR 21/311
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 2.1 AwbArt. 3:3 BWArt. 3:60 BWArt. 3:72 BW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens overlijden belanghebbende voorafgaand aan beroep

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een besluit genomen waarbij zij stelde geen dwangsom aan eiseres verschuldigd te zijn. Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde een gemachtigde namens eiseres beroep in tegen het bestreden besluit.

De rechtbank stelde vast dat eiseres op 23 maart 2020 was overleden, vóór het instellen van het beroep op 14 januari 2021. Volgens artikel 3:72 BW Pro eindigt hierdoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde. Omdat de gemachtigde geen erfgenamen vertegenwoordigde, kon hij niet optreden namens een belanghebbende. Het beroep moest daarom worden toegerekend aan de gemachtigde zelf, die geen recht heeft om beroep in te stellen.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:1 Awb Pro en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter P.M. de Keuning op 17 oktober 2022.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het overlijden van eiseres voorafgaand aan het instellen van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/311

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2022 in de zaak tussen

wijlen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K. Wevers),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

Procesverloop

In het besluit van 17 juni 2019 (primair besluit) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom aan eiseres verschuldigd is.
In het besluit van 8 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
K. Wevers heeft namens eiseres bij brief van 14 januari 2021 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft hierbij een machtiging van eiseres gevoegd van 3 oktober 2017.
Verweerder heeft een afschrift uit de basisregistratie personen overgelegd waarin staat dat eiseres op 23 maart 2020 is overleden.
Het onderzoek ter zitting heeft via Teams plaatsgevonden op 5 september 2022. K. Wevers en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

Overwegingen

1. Alvorens de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, dient te worden vastgesteld of het beroep ontvankelijk is nu eiseres door haar overlijden geen belanghebbende meer is in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Op grond van artikel 2.1. van de Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Op de relatie tussen een belanghebbende en diens gemachtigde zijn, door toepassing van de schakelbepaling van artikel 3:79 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), de algemene regels van volmacht van titel 3:3 van het BW van toepassing. De regeling van de volmacht van titel 3:3 van het BW is overeenkomstig van toepassing in bestuursrechtelijke verhoudingen als hier aan de orde. De civielrechtelijke regels waarbij aansluiting wordt gezocht zijn te vinden in de artikelen 3:60 tot en met 3:79 BW.
3. De rechtbank stelt vast dat door het overlijden van eiseres voorafgaand aan het indienen van het beroep een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 van Pro het BW zich heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van K. Wevers is geëindigd. K. Wevers heeft niet gesteld dat hij een of meerdere erfgenamen van eiseres vertegenwoordigt. Daardoor kan niet worden gesteld dat K. Wevers namens een belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van Pro de Awb optreedt. Onder deze omstandigheden moet de rechtshandeling van het instellen van beroep worden toegerekend aan K. Wevers zelf. Aangezien hem niet het recht toekomt om tegen het bestreden besluit beroep in te stellen, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. K. Wevers wordt geacht op persoonlijke titel beroep te hebben ingesteld. Hij kan daarin niet worden ontvangen. Dat hij recht zou hebben op de kosten van de bezwaarprocedure indien een veroordeling daartoe wordt uitgesproken, maakt dat niet anders.
4. Het voorgaande betekent dat het beroep ingevolge artikel 8:1 van Pro de Awb niet-ontvankelijk is.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet met het bestreden besluit eens bent. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.