Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [v-nummer 1], eiseres
[kind 1], v-nummer: [v-nummer 2],
Rechtbank Den Haag
Eiseres en haar kinderen, allen met de Indonesische nationaliteit, dienden een aanvraag in voor een verblijfsvergunning in Nederland op grond van artikel 12, vierde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Verweerder stelde de aanvragen buiten behandeling omdat geen volledig aanvraagformulier was ingediend en er geen leges waren betaald. Tevens werd aangevoerd dat het IVBPR geen geldige grondslag biedt voor een verblijfsvergunning.
Eisers voerden aan dat het ontbreken van een formulier niet relevant is omdat geen formulier is vastgesteld voor deze aanvraag en dat artikel 12 IVBPR Pro directe werking heeft. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd is eisen te stellen aan de wijze van indiening, waaronder het gebruik van een formulier, en dat het ontbreken daarvan rechtvaardigt dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld.
Verder stelde de rechtbank vast dat de gevraagde verblijfsgrond niet voorkomt in de limitatieve opsomming van het Vreemdelingenbesluit 2000 en dat het IVBPR geen directe, bindende werking heeft in deze context. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de aanvraag terecht is afgewezen. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden omdat het horen in bezwaar niet noodzakelijk was.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de aanvraag buiten behandeling is gesteld wegens het ontbreken van een aanvraagformulier en niet-ontvankelijkheid op grond van het IVBPR.