ECLI:NL:RBDHA:2022:11210
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk verklaard
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid buiten behandeling is gesteld bij besluit van 2 september 2021. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit. Voordat een zitting kon plaatsvinden, verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond bij besluit van 2 november 2021. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter ontving een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de uitspraak in het beroep. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) deed de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De rechtbank had het beroep van verzoeker inmiddels ongegrond verklaard, waardoor er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer was.
Gezien het ontbreken van een lopende procedure verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan op 18 oktober 2022 door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds ongegrond is verklaard.