ECLI:NL:RBDHA:2022:11215
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen ingangsdatum en geldigheidsduur tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden
Eiser, een Iraanse nationaliteit, diende op 5 maart 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, welke aanvankelijk werd afgewezen. Na een verzoek van de officier van justitie om een tijdelijke vreemdelingenrechtelijke status te verlenen in verband met de schorsing van uitleveringsdetentie, verleende verweerder op 28 mei 2021 een tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden met ingang van 12 mei 2021 voor de duur van zes maanden.
Eiser betoogde dat de ingangsdatum van de vergunning onjuist was en dat de geldigheidsduur ten onrechte was beperkt tot zes maanden in plaats van een jaar. Tevens stelde eiser dat proceskosten vergoed hadden moeten worden bij de intrekking van het eerdere besluit. De rechtbank oordeelde dat verweerder een discretionaire bevoegdheid heeft bij het bepalen van de ingangsdatum en geldigheidsduur van de vergunning en dat de motivering van verweerder voldoende was.
De rechtbank concludeerde dat de ingangsdatum niet per de datum van aanvraag hoeft te zijn en dat de keuze voor een geldigheidsduur van zes maanden gerechtvaardigd is gezien de onzekerheid omtrent de duur van de schorsingsvoorwaarden. Ook is verweerder niet gehouden tot proceskostenvergoeding omdat de intrekking van het eerdere besluit niet het gevolg was van een bestuursorgaanfout.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard en de tijdelijke verblijfsvergunning blijft van kracht met ingang van 12 mei 2021 voor zes maanden.