ECLI:NL:RBDHA:2022:11216
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-inbehandelingname asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, met Iraanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door verweerder niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling volgens de Dublinverordening.
Eiser stelde dat hij onterecht niet opnieuw is gehoord en dat Duitsland hem niet voldoende bescherming kan bieden, wat in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM Pro. Tevens verzocht hij om uitstel voor het overleggen van medische stukken.
De rechtbank oordeelde dat verweerder conform beleid heeft gehandeld door eiser niet opnieuw te horen, aangezien Duitsland als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen en eiser al gelegenheid had om te reageren. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, en eiser maakte niet aannemelijk dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zou schenden.
De rechtbank wees het verzoek om aanvullende medische stukken af omdat eiser dit niet tijdig had onderbouwd. Gezien het voorgaande verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.