ECLI:NL:RBDHA:2022:11220

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 september 2022
Publicatiedatum
28 oktober 2022
Zaaknummer
NL22.16252 en NL22.16253
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Artikel 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-inbehandelingname asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, van Syrische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam zijn aanvraag niet in behandeling omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening.

Eiser betoogde dat de opvang in Spanje onvoldoende was en dat hij bij overdracht een onmenselijke behandeling zou ondergaan, mede omdat zijn broer wel een asielprocedure in Nederland heeft. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Spanje zodanig tekortschiet dat overdracht onrechtmatig zou zijn, mede omdat eiser geen asielaanvraag in Spanje had ingediend en zijn stellingen niet met bewijs ondersteunde.

Ook was onvoldoende aannemelijk dat de situatie van zijn broer vergelijkbaar is en dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat die de staatssecretaris zou moeten doen afzien van overdracht. De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en wees het verzoek tot voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.16252 en NL22.16253
uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter van 9 september 2022 in de zaak tussen

[eiser en verzoeker], eiser en verzoeker

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J.J.A. Hendriks),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat
de overdracht achterwege blijft, tot op het beroep is beslist.

Overwegingen

Geen zitting
1. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond [1] . Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1996.
3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Volgens hem is Spanje verantwoordelijk voor de behandeling daarvan. [2]
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
4. Eiser meent dat verweerder ten onrechte vasthoudt aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Spanje. Er werd in Spanje geen fatsoenlijke opvang geboden, enkel noodhulp door het Rode Kruis. Ook is hem zonder asielprocedure een bevel opgelegd Spanje te verlaten. Na terugkeer zal hij geen opvang of rechtshulp meer krijgen in Spanje, zodat hem daar een onmenselijke behandeling te wachten staat. Verder had het feit dat zijn broer wel in Nederland een asielprocedure heeft lopen, ertoe moeten leiden dat eisers aanvraag ook in behandeling werd genomen. Verweerder heeft geen deugdelijke motivering gegeven voor dit verschil in behandeling.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht naar Spanje een risico loopt op een behandeling in strijd is artikel 4 van Pro het Handvest.
5.1.
Het persoonlijk relaas van eiser biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de asielprocedure in Spanje niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Daarbij is van belang dat eiser in Spanje geen asielaanvraag heeft ingediend, zodat hij niet uit eigen ervaring kan verklaren hoe de asielprocedure en de asielopvang in Spanje is ingericht. Eiser heeft zijn stellingen ook niet met stukken onderbouwd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat indien zich problemen zouden voordoen in Spanje, eiser daarover zijn beklag kan doen bij de (hogere) Spaanse autoriteiten dan wel de geëigende instanties aldaar.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser -los van de vraag of dit ertoe zou moeten leiden dat verweerder eisers asielaanvraag in behandeling zou moeten nemen- onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie van de broer van eiser geheel gelijk is aan de situatie van eiser. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat van afhankelijkheid tussen eiser en zijn broer niet is gebleken. In wat eiser heeft aangevoerd hoeft verweerder dan ook geen aanleiding te zien om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken.
Conclusie
6. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. Nu met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.
7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen de uitspraak kan – voor zover daarin op het beroep is beslist – verzet worden gedaan bij deze rechtbank. Dit moet binnen zes weken na de dag van bekendmaking gebeuren. Wie verzet doet kan daarbij aangeven over het verzet gehoord te willen worden [3] .

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Zie artikel 8:55 van Pro de Awb.