ECLI:NL:RBDHA:2022:11228
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning vanwege verantwoordelijkheid Cyprus ongegrond verklaard
Eisers, Syrische statushouders met minderjarige kinderen, hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid die hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling nam, omdat Cyprus verantwoordelijk is voor de asielprocedure volgens het Dublinverdrag.
Eisers betoogden dat de situatie in Cyprus, met name de gebrekkige huisvesting en beperkte sociale voorzieningen voor statushouders, onvoldoende werd meegewogen. De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel inhoudt dat Nederland mag aannemen dat Cyprus haar verdragsverplichtingen nakomt, tenzij eisers aannemelijk maken dat dit niet het geval is. Dit is niet gelukt.
De rechtbank constateert dat eisers weliswaar moeilijkheden ondervinden bij het vinden van woonruimte in Cyprus, maar dat zij wel recht hebben op noodvoorzieningen en basiszorg. Er is geen bewijs dat Cyprus fundamentele rechten schendt. Ook het beroep op het arrest Ibrahim faalt. Eisers hebben voorts onvoldoende onderbouwd dat hun status in Cyprus is ingetrokken of dat zij geen pogingen hebben gedaan deze te verlengen.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de Syrische statushouders tegen het niet in behandeling nemen van hun verblijfsvergunningaanvragen is ongegrond verklaard.