Eiser, geboren in Somalië in 1993, kreeg in 2010 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Sinds 2006 pleegde hij diverse strafbare feiten, waaronder gewelds- en vermogensdelicten, en onderging hij meerdere strafrechtelijke maatregelen, waaronder een PIJ-maatregel en TBS. Na detentie in Duitsland en Nederland verklaarde hij zijn leven positief te hebben veranderd sinds oktober 2017.
Verweerder trok op 20 april 2021 de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 24 februari 2013 in en legde een inreisverbod op. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende rekening hield met de recente gedragsverandering van eiser en dat het besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek vertoont. De ingrijpende gevolgen van intrekking en de langdurige verblijfsgeschiedenis van eiser in Nederland wegen zwaar mee.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt verweerder binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met een actuele belangenafweging. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Een bestuurlijke lus wordt niet toegepast omdat dit niet doelmatig zou zijn.