ECLI:NL:RBDHA:2022:1129

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2022
Publicatiedatum
16 februari 2022
Zaaknummer
NL20.3427 en NL20.3428
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:17 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvragen niet-ontvankelijk verklaard

Eisers hebben op 7 februari 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun asielaanvragen. Verweerder heeft op 9 oktober 2020 alsnog een besluit genomen waarin de aanvragen zijn ingewilligd. De rechtbank heeft de gemachtigde van eisers gevraagd of het beroep wegens de inwilliging zou worden ingetrokken, maar hierop is geen reactie ontvangen.

De rechtbank concludeert dat het beroep gehandhaafd blijft, maar dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is omdat eisers met de inwilliging hebben bereikt wat zij beoogden. Verweerder erkende een dwangsom van €1.442,- verschuldigd te zijn, welke reeds is betaald. Omdat eisers gehuwd zijn en gelijktijdig zijn ingereisd, is slechts één dwangsom verbeurd.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers, vastgesteld op €379,50, en verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Hiermee is het geschil over het niet tijdig beslissen formeel afgesloten.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en verweerder is veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL20.3427 en NL20.3428
V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1] , eiser

[naam 2] ,eiseres
mede namens hun minderjarige kinderen
[naam 3]en
[naam 4]
gezamenlijk te noemen eisers
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 7 februari 2020 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen.
Verweerder heeft op 24 februari 2020 een verweerschrift ingediend.
Op 9 oktober 2020 heeft verweerder alsnog op de asielaanvragen van eisers beslist.
De rechtbank heeft bij brief van 10 februari 2021 de gemachtigde van eisers verzocht de rechtbank te informeren of de inwilligende beslissing aanleiding is voor eisers om het beroep op het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen in te trekken. De gemachtigde heeft tot op heden niet gereageerd. De rechtbank leidt daar uit af dat de beroepen gehandhaafd worden.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Met de inwilliging van de aanvragen hebben eisers bereikt wat zij beoogden en hoeven de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet meer te worden beoordeeld. De beroepen zijn in zoverre niet-ontvankelijk.
2. In het verweerschrift van 24 februari 2020 heeft verweerder erkend eisers een dwangsom verschuldigd te zijn voor een bedrag van €1.442,-. Omdat eisers gehuwd zijn en gelijktijdig zijn ingereisd is er sprake van samenhang. Daarom wordt er in totaal één dwangsom verbeurd.
3. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2020 [1] , dat aanvragen inhoudelijk zodanig met elkaar kunnen samenhangen, dat een redelijke toepassing van de artikelen 4:17, eerste lid van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan slechts één dwangsom heeft verbeurd of kan verbeuren. Verweerder heeft terecht betoogd dat hij bij aanvragen van een echtpaar zo'n inhoudelijke samenhang tussen de aanvragen als uitgangspunt kan nemen en één dwangsom verbeurt.
4. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 22 mei 2020 reeds de bestuurlijke dwangsom ten bedrage van € 1.442 aan de gemachtigde van eisers heeft betaald. Eisers hebben dan ook geen procesbelang meer op dit punt.
5. Overeenkomstig het verzoek van eisers veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 379,50
(driehonderdnegenenzeventig euro en 50 cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.