ECLI:NL:RBDHA:2022:11402
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en motiveringsbeginsel in bezwaarprocedure
Eiseres betwist de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning en voert aan dat de waarde te hoog is vastgesteld, met name vanwege onjuiste toepassing van de dijkenvrijstelling, onduidelijke eenheidsprijzen en indexering, en het toekennen van een afzonderlijke waarde aan het terras. Tevens stelt zij dat niet alle relevante stukken zijn verstrekt en dat het motiveringsbeginsel is geschonden doordat de uitspraak op bezwaar niet volledig weergeeft wat tijdens het hoorgesprek is besproken.
Verweerder heeft een taxatierapport overgelegd waarin de waarde van de woning systematisch is vergeleken met vergelijkbare woningen. De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten zeer geschikt en vindt dat de afzonderlijke waardering van het terras met steiger terecht is, aangezien dit niet bij de vergelijkingsobjecten aanwezig is. Verweerder heeft bovendien aannemelijk gemaakt dat hij niet te hoog heeft getaxeerd.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aan zijn verplichting tot terinzagelegging van stukken heeft voldaan en dat eiseres onvoldoende heeft gesteld om het tegendeel te bewijzen. Het ontbreken van een apart hoorverslag wordt niet als schending van het motiveringsbeginsel gezien, omdat de uitspraak op bezwaar voldoende inzicht geeft in het hoorgesprek.
Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd op € 514.000.