Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:11411

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2022
Publicatiedatum
3 november 2022
Zaaknummer
NL22.17487
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Versnelde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 2u Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging verblijf

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor eiseres, waarna verweerder niet tijdig een besluit nam. Eisers stelden verweerder in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en dienden vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank onderzocht de aanvang en duur van de beslistermijn, waarbij werd vastgesteld dat de termijn begon op de datum waarop verweerder de aanvraag ontving, te weten 25 februari 2022, en liep tot 25 augustus 2022. De ingebrekestelling van 16 augustus 2022 was daarmee prematuur, omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.

Hierdoor voldeed het beroep niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, en werd het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder werd niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: NL22.17487
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] (V-nummer: [V-nummer]), eiseres, en

[referent](V-nummer: [V-nummer]), referente, gezamenlijk aan te duiden als eisers (gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij brief met dagtekening 11 februari 2022 is namens referente verzocht om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van eiseres (haar moeder).
Bij brief met dagtekening 16 augustus 2022 is verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag.
Eisers hebben vervolgens op 5 september 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ter beschikking gesteld.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat hij kennelijk onbevoegd is of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. Na kennis genomen te hebben van de stukken ziet de rechtbank in deze procedure aanleiding om met toepassing van deze bepaling uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
3. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:
het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Ingevolge artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hier van belang, beslist verweerder binnen 90 dagen na ontvangst van een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf. Verweerder kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden.
4. Om te kunnen beoordelen op het onderhavige beroep inzake niet tijdig beslissen door verweerder, dient de rechtbank allereerst na te gaan wat de beslistermijn is en met name op welke datum deze beslistermijn is aangevangen. Zoals hiervoor reeds is vermeld, is de aanvraag (die op 4 februari 2022 door de wettelijk vertegenwoordiger van referente is ondertekend) bij brief gedateerd 11 februari 2022 bij verweerder ingediend. De beslistermijn begint echter niet per datum waarop de aanvraag, c.q. aanbiedingsbrief is/zijn gedateerd, maar op de datum dat de aanvraag bij verweerder is ontvangen.
5. In de ontvangstbevestiging van 2 maart 2022 stelt verweerder dat de beslistermijn begint op 25 februari 2022. De rechtbank maakt hieruit op dat dit (volgens verweerder) de datum is waarop verweerder de brief met datum 11 februari 2022 heeft ontvangen. Alhoewel een vertraging van twee weken ongebruikelijk is, hebben eisers niet betwist dat dit de juiste aanvangstermijn is. De rechtbank zal dan ook uitgaan van deze datum. Te meer omdat eisers niet hebben gesteld dat de aanbiedingsbrief met datum 11 februari 2022 ook daadwerkelijk op die datum aan verweerder is verzonden.
6. Nu verweerder in de ontvangstbevestiging de beslistermijn tevens tijdig heeft verlengd, heeft de beslistermijn gelopen tot 25 augustus 2022. Op 17 augustus 2022 (de dag dat verweerder de ingebrekestelling van 16 augustus 2022 kennelijk heeft ontvangen) was de beslistermijn dus nog niet verstreken, zodat vastgesteld moet worden dat de ingebrekestelling prematuur is. Hierdoor is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiseres is daarom dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Het feit dat de beslistermijn inmiddels wel is verlopen doet hier niet aan af, aangezien er op dit moment geen geldige ingebrekestelling ligt.
7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.M.E. Kessels, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 28 oktober 2022

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de dag van bekendmaking verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.