Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart, welke door de Minister voor Rechtsbescherming op 20 augustus 2021 is afgewezen. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt, dat op 17 mei 2022 ongegrond werd verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag.
Tijdens de procedure heeft de rechtbank vastgesteld dat eiser dezelfde gronden aanvoerde als in de bezwaarprocedure. Verweerder heeft deze gronden gemotiveerd weersproken in het verweerschrift. Eiser heeft nagelaten om tegen deze motivering inhoudelijk verweer te voeren.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten omdat geen van de partijen gebruik wilde maken van het recht op mondelinge behandeling. Op basis van de stukken heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de VOG-aanvraag in stand blijft. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.