Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep is ongegrond.
Rechtbank Den Haag
Eiser, werkzaam bij Defensie, verhuisde van Nederland naar Curaçao en betaalde invoerrechten voor het verschepen van een auto. Hij verzocht om vergoeding van deze kosten, maar verweerder wees dit af omdat eiser zelf had gekozen voor de functie op Curaçao en niet voldeed aan de fiscale voorwaarden voor vrijstelling van invoerrechten. Eiser stelde dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege onvoorziene omstandigheden en onbillijkheid.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval of onbillijkheid van overwegende aard. De toezegging over terugplaatsing naar Nederland werd door verweerder betwist en niet bewezen door eiser. De gewijzigde uitvoeringspraktijk sinds 2021 sluit vergoeding op grond van de hardheidsclausule uit. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat vergelijkbare gevallen na 2021 niet zijn gehonoreerd.
Hoewel het bestreden besluit op een punt niet deugdelijk was gemotiveerd, passeerde de rechtbank dit gebrek omdat dit eiser niet benadeelde en het besluit inhoudelijk juist was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en legde proceskostenveroordeling op aan verweerder.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van invoerrechten wordt afgewezen.