Eiser, van Vietnamese nationaliteit, diende een asielaanvraag in nadat hij in Nederland een verblijfsvergunning regulier had ontvangen vanwege aangifte van mensenhandel. De aanvraag werd door verweerder afgewezen als ongegrond, waarbij alleen de identiteit, nationaliteit en herkomst werden erkend. Eiser voerde aan dat het besluit niet voldeed aan het arrest TQ van het Hof van Justitie van de EU.
De rechtbank constateerde dat eiser op het moment van het bestreden besluit rechtmatig verblijf genoot op grond van zijn verblijfsvergunning regulier, waardoor het besluit dat hij niet langer rechtmatig verbleef onjuist was. Tevens werd aan eiser een medewerkingsplicht opgelegd zonder juridische grondslag.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder niet voortvarend heeft onderzocht of er adequate opvang is in het land van herkomst, terwijl dit volgens het arrest TQ en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak noodzakelijk is bij weigering van asiel aan een alleenstaande minderjarige vreemdeling.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.