ECLI:NL:RBDHA:2022:11564

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2022
Publicatiedatum
7 november 2022
Zaaknummer
21/6773
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 2 Richtlijn 2004/38/EGArt. 3 lid 2 Richtlijn 2004/38/EGArt. 8.7 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 7:3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing faciliterend visum wegens onvoldoende onderbouwing noodzakelijke materiële ondersteuning

Eisers, houders van de Marokkaanse nationaliteit, hebben een faciliterend visum aangevraagd op grond van richtlijn 2004/38/EG, omdat zij bij hun dochter en diens Duitse echtgenoot in Nederland willen verblijven. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eisers niet aannemelijk maakten dat zij als familielid van een EU-onderdaan ten laste zijn en dat de materiële ondersteuning noodzakelijk is om in hun basisbehoeften te voorzien.

Eisers stelden dat zij door ziekte en langdurige werkloosheid niet in hun basisbehoeften kunnen voorzien en ontvingen materiële steun van referent en diens echtgenote. Zij overlegden diverse bewijsstukken, waaronder verklaringen van werkloosheid en bankafschriften, maar onderbouwden niet wat hun basisbehoeften precies zijn.

De rechtbank oordeelde dat het aan eisers was om niet alleen het ontbreken van inkomen aan te tonen, maar ook de noodzaak van de ondersteuning door inzicht te geven in hun vaste lasten en basisbehoeften. Dit was niet gebeurd, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de ondersteuning noodzakelijk is. Tevens werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het faciliterend visum wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van noodzakelijke materiële ondersteuning.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/6773

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2022 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiseres] en [eiser 2]

(gemachtigde: mr. C.N. Noordzee),
en

De Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kana).

Procesverloop

In het besluit van 29 juli 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een faciliterend visum op grond van richtlijn 2004/38/EG (de Verblijfsrichtlijn) afgewezen.
In het besluit van 10 november 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2022 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verder zijn namens eisers verschenen [A] en [referent] . Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eisers hebben de Marokkaanse nationaliteit. Zij hebben een faciliterend visum aangevraagd en daarbij een beroep gedaan op richtlijn 2004/38. De dochter van [eiser 1] en [eiseres] , [A] , is gehuwd met [referent] (referent). Referent is een burger van de Unie met de Duitse nationaliteit. Hij woont samen met [A] in Nederland. Eisers willen in Nederland verblijven bij referent en zijn echtgenote.
2. Bij de aanvraag is gesteld dat referent en [A] eisers ‘ten laste hebben’. Door ziekte en langdurige werkloosheid zouden eisers al jaren niet in staat zijn om in hun eigen basisbehoeften te voorzien.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Eisers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken aangetoond dat zij kunnen worden aangemerkt als familielid van een EU-onderdaan, zoals bedoeld in artikel 2, lid 2 dan wel artikel 3, lid 2 van Richtlijn 2004/38/EG (de Verblijfsrichtlijn).
4. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat eisers niet onder de definitie van ‘familielid’ in de zin van de verblijfsrichtlijn vallen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat zij als ‘begunstigde’ van referent als bedoeld in de Verblijfsrichtlijn en artikel 8.7 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kunnen worden aangemerkt. Referent biedt weliswaar materiele ondersteuning, maar eisers hebben niet aangetoond dat deze ondersteuning ook noodzakelijk is en wordt gebruikt om in de basisbehoeften te voorzien. Vóór de start van de materiële ondersteuning in maart 2020 hebben eisers ook in hun basisbehoeften kunnen voorzien en het is niet aangetoond dat eisers onvoldoende eigen inkomen hebben, aldus verweerder.
Beroepsgronden
5. Eisers voeren aan dat zij wel degelijk voldoende hebben onderbouwd dat de materiele steun die zij ontvangen van referent en zijn echtgenote noodzakelijk is. Zij hebben met diverse stukken onderbouwd dat zij geen inkomen hebben en niet beschikken over vermogen. Eiser voeren verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De motivering van het primaire besluit is summier, zodat het onduidelijk was waarop de afwijzing was gebaseerd. De motivering is pas in het bestreden besluit gegeven, zodat eisers pas daarna de mogelijkheid hebben gehad om zich hierover uit te laten. Eisers voeren tot slot aan dat verweerder de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden. Gelet op de summiere motivering in het primaire besluit hadden eisers de behoefte om te worden gehoord. Zij hebben hier ook uitdrukkelijk om verzocht.
Oordeel rechtbank
6. Uit artikel 2 en Pro 3 van de Verblijfsrichtlijn volgt dat eisers, om in aanmerking te komen voor een faciliterend visum, moeten aantonen dat zij familieleden zijn van referent en ten laste komen van referent en daarmee onder de definitie ‘begunstigde’ vallen. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet hebben aangetoond dat zij ten laste komen van referent. De rechtbank is als volgt tot dat oordeel gekomen.
7. Partijen zijn het erover eens dat eisers familie zijn van referent en door hem financieel worden ondersteund. Om in aanmerking te komen voor een faciliterend visum moet de materiële ondersteuning noodzakelijk en reëel zijn. [1] Het is aan eisers om aan te tonen dat zij vanwege hun economische en sociale toestand niet (volledig) in hun basisbehoeften kunnen voorzien.
8. Eisers hebben ter onderbouwing o.a. de volgende stukken overgelegd:
  • Bewijs van werkeloosheid van eisers (‘Certificat de no emploi’ van de man en de vrouw)
  • verklaring van referent en echtgenote dat zij eisers onderhouden
  • Afschrift spaarrekening waaruit blijkt dat eisers geen vermogen hebben
  • Transacties waaruit volgt dat bedragen zijn overgeboekt aan eisers
  • Verklaring fiscus waaruit blijkt dat geen inkomen wordt genoten (attestation de revenu)
9. De rechtbank begrijpt dat eisers van mening zijn dat zij de noodzaak van de financiële ondersteuning met deze stukken voldoende hebben onderbouwd. Voor hen spreekt het vanzelf dat ondersteuning noodzakelijk is als een eigen inkomen ontbreekt. Om vast te kunnen stellen dat ondersteuning noodzakelijk is om in de basisbehoeften te voorzien, is het echter óók nodig om te weten wat de basisbehoeften zijn. Het had daarom op de weg van eisers gelegen om die basisbehoeften te onderbouwen, bijvoorbeeld door inzicht te geven in hun woon- en andere vaste lasten. Tot nu toe hebben zij dat niet gedaan. Hoewel het primaire besluit summier is, is in de aanvullende opmerkingen daarbij opgemerkt dat eisers niet hebben aangetoond dat zij kunnen worden aangemerkt als familielid van een EU-onderdaan, zoals bedoeld in artikel 2, lid 2 dan wel artikel 3, lid 2 van de Verblijfsrichtlijn. Gelet hierop, en gelet op de regelgeving, had het voor eisers al tijdens de bezwaarfase duidelijk kunnen zijn dat van hen werd verlangd dat de noodzaak van de ondersteuning wordt onderbouwd. Nu eisers tot nu toe niet hebben onderbouwd wat hun basisbehoeften zijn, kan ook niet worden vastgesteld dat eisers de geboden financiële ondersteuning nodig hebben om daarin te voorzien. Tijdens de zitting is namens eisers naar voren gebracht dat de basisbehoeften onderbouwd kunnen worden. Bij een eventuele nieuwe aanvraag ligt het voor de hand dat eisers deze onderbouwing direct bij de aanvraag overleggen.
10. Verder is de rechtbank van oordeel dat de hoorplicht in bezwaar niet is geschonden. Het uitgangspunt is dat de bezwaarmaker in bezwaar moet worden gehoord. Hierop bestaan uitzonderingen, genoemd in artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Zo kan verweerder bij een kennelijk ongegrond bezwaar afzien van het horen. Daarvan is sprake als – aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met wat eerder door de bezwaarmaker is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit – naar objectieve maatstaven bezien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor, gelet op wat hierboven is overwogen.
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is uitgesproken op 30 maart 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8.7, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.