ECLI:NL:RBDHA:2022:1158

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2022
Publicatiedatum
17 februari 2022
Zaaknummer
NL22.1624
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) 604/2013Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende asielzoeker, werd op 1 februari 2022 een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, gebaseerd op artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd genomen vanwege het belang van de openbare orde en het risico dat eiser zich zou onttrekken aan toezicht, mede gelet op zijn verblijf in verschillende Europese landen zonder zich aan toezicht te houden.

Eiser voerde aan dat een lichter middel, zoals verblijf in een asielopvangcentrum met meldplicht, voldoende zou zijn en dat hij over middelen van bestaan zou beschikken. De rechtbank stelde echter vast dat eiser de gronden van de maatregel niet betwistte en dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk was. De persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder zijn weigering terug te keren naar Frankrijk en het ontbreken van middelen om zelfstandig te vertrekken, maakten een lichter middel niet toereikend.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter W. Anker en griffier A.S. Hamans op 11 februari 2022 te Middelburg. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.1624

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Walls),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Faddach-el Allachi).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2022 op zitting behandeld, te Breda. Eiser is gehoord via een videoverbinding. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Singh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1989 en de Pakistaanse nationaliteit te bezitten.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is door het belang van de openbare orde omdat er concrete aanwijzingen zijn dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Dublinverordening [1] en er een significant risico bestaat op onderduiken. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en
nationaliteit;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
Als lichte gronden [3] heeft verweerder in de maatregel vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heef;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat verweerder met een lichter middel dan inbewaringstelling had moeten volstaan. Eiser heeft asiel aangevraagd. Hij kan daarom in de asielopvang (AZC) verblijven onder oplegging van een meldplicht. Eiser ontvangt in dat geval ook geld van het COa, waardoor hij over middelen van bestaan komt te beschikken. Het risico dat eiser zich onttrekt is in dat geval niet significant.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden, die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist. Reeds hierom is sprake van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verder heeft verweerder in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd waarom de bewaring noodzakelijk is en de persoonlijke omstandigheden van eiser een lichter middel niet toelaten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser heeft verklaard dat hij niet terug naar Frankrijk wil. Ook beschikt eiser niet over de middelen om op eigen gelegenheid te vertrekken. Daarnaast verblijft eiser sinds 2016 in Europa en heeft hij in verschillende Europese landen verbleven zonder zich aan het daar geldende toezicht te houden. Verweerder mocht hieruit concluderen dat een lichter middel er niet toe zal leiden dat eiser vrijwillig uit Nederland zal vertrekken. De enkele omstandigheid dat eiser in de asielopvang kan verblijven, betekent tegen deze achtergrond niet dat verweerder van de inbewaringstelling van eiser heeft moeten afzien. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 604/2013
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb