Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende asielzoeker, werd op 1 februari 2022 een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, gebaseerd op artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd genomen vanwege het belang van de openbare orde en het risico dat eiser zich zou onttrekken aan toezicht, mede gelet op zijn verblijf in verschillende Europese landen zonder zich aan toezicht te houden.
Eiser voerde aan dat een lichter middel, zoals verblijf in een asielopvangcentrum met meldplicht, voldoende zou zijn en dat hij over middelen van bestaan zou beschikken. De rechtbank stelde echter vast dat eiser de gronden van de maatregel niet betwistte en dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk was. De persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder zijn weigering terug te keren naar Frankrijk en het ontbreken van middelen om zelfstandig te vertrekken, maakten een lichter middel niet toereikend.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter W. Anker en griffier A.S. Hamans op 11 februari 2022 te Middelburg. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.