Verzoeker had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid als zelfstandige, die door de Staatssecretaris met terugwerkende kracht werd ingetrokken per 8 januari 2020. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Nadat de Staatssecretaris het bezwaar gegrond verklaarde en de verblijfsvergunning verlengde tot 8 januari 2027, trok verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) proceskosten kunnen worden toegekend indien het bestuursorgaan aan het verzoek tegemoet is gekomen en het verzoek wordt ingetrokken. Gezien het procesverloop en de tegemoetkoming van verweerder, wees de voorzieningenrechter het verzoek om proceskostenvergoeding toe.
Verweerder werd veroordeeld tot betaling van €759,- aan proceskosten en tevens tot vergoeding van het griffierecht van €184,- dat verzoeker had betaald. De uitspraak werd zonder zitting gedaan en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.