ECLI:NL:RBDHA:2022:11755

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2022
Publicatiedatum
10 november 2022
Zaaknummer
NL22.6711
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b VbArt. 28 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking toezicht

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 16 april 2022 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel was gebaseerd op het bestaan van een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Duitsland volgens de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.

Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was vanaf 22 april 2022, omdat toen het overdrachtsbesluit was ontvangen en er geen belemmeringen waren voor overdracht. Tevens voerde hij aan dat hij zelfstandig zou vertrekken en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld, met een claim lidstaat uit op 20 april, een claimakkoord op 22 april en een overdrachtsbesluit op dezelfde dag. De feitelijke overdracht was afhankelijk van Duitse autoriteiten.

De rechtbank vond de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd en het risico op onttrekking aannemelijk, mede gelet op eerdere terugkeer van eiser naar Nederland na overdracht aan Duitsland. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank wees erop dat klachten over afgenomen geld bij de politie moeten worden ingediend. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.6711
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 april 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw K. el Bahi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1990] .
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen, niet betwist.
Voortvarend handelen
4. Eiser zegt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is vanaf 22 april, de datum dat het overdrachtsbesluit is ontvangen. Er waren toen geen belemmeringen om eiser over te dragen aan Duitsland. Verweerder heeft daarom onvoldoende voortvarend gehandeld.
5. De rechtbank overweegt dat het verloop van de overdrachtshandelingen die verweerder heeft verricht sinds eisers inbewaringstelling blijkt uit het procesdossier en de nadere toelichting daarop van verweerder ter zitting. Op 20 april 2022 is de zogenoemde ‘claim lidstaat uit’ gedaan en op 22 april 2022 is een claimakkoord ontvangen. Verweerder heeft dezelfde dag een overdrachtsbesluit genomen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat eisers overdracht op korte termijn zal plaatsvinden en heeft er daarbij terecht op gewezen dat hij voor de feitelijke overdracht mede afhankelijk is van de Duitse autoriteiten.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende
voortvarend heeft gehandeld. De omstandigheid dat verweerder ter zitting nog geen concrete datum kon noemen voor eisers overdracht maakt dat niet anders. De rechtbank overweegt in dit verband dat verweerder op grond van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening zes weken de tijd heeft om eiser over te dragen aan Duitsland.
Lichter middel
6. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij zelfstandig zal vertrekken. Verweerder had daarom kunnen volstaan met een lichter middel. Dit heeft verweerder ten onrechte niet gedaan.
7. De rechtbank oordeelt dat verweerder in de maatregel van bewaring voldoende heeft gemotiveerd waarom deze maatregel noodzakelijk is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, onder meer blijkt uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd (en die door eiser niet zijn betwist). Verder heeft verweerder er in dit kader op kunnen wijzen dat eiser eerder is overgedragen aan Duitsland om daar zijn asielprocedure af te wachten, maar toen toch weer naar Nederland is gekomen.
Geld van eiser
8. Verder voert eiser aan dat zijn geld is afgenomen. Dit geld wil hij graag terug.
9. De rechtbank wijst erop dat eiser dit moet aankaarten bij politie Amsterdam. Zijn gemachtigde kan hem hierbij helpen. De rechtbank is niet bevoegd om hierover te oordelen.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr.
M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
29 april 2022
en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Mr. J.G. Nicholson M.A.W.M. Engels
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.