ECLI:NL:RBDHA:2022:11773
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep samen met een andere zaak op 26 april 2022 behandeld, waarbij partijen niet verschenen.
Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast kon worden vanwege het risico op indirect refoulement in Duitsland, omdat hij tot de Ahmadiyya-gemeenschap behoort die in Nederland als risicogroep wordt beschouwd. De rechtbank oordeelde dat verweerder in het algemeen van het vertrouwensbeginsel mag uitgaan en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn situatie niet kan.
De rechtbank benadrukte dat Duitsland, net als Nederland, gebonden is aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Vluchtelingenverdrag en dat het claimakkoord garanties biedt dat de asielaanvraag zorgvuldig wordt behandeld. Het verschil in asielbeleid ten aanzien van Ahmadiyya's tussen Nederland en Duitsland leidt niet tot een uitzondering op het vertrouwensbeginsel.
Daarom was er geen reden voor verweerder om de aanvraag zelf in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.