ECLI:NL:RBDHA:2022:11805
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank stelt dwangsom vast wegens niet tijdig beslissen op bezwaarschrift machtiging voorlopig verblijf
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zichzelf en zijn familie, welke door de staatssecretaris op 29 december 2020 is afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt op 8 januari 2021. Nadat de staatssecretaris niet tijdig op het bezwaar had beslist, stelde eiser hem op 30 september 2021 in gebreke. Vervolgens heeft eiser op 22 oktober 2021 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing.
De rechtbank constateert dat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op het bezwaarschrift en dat de ingebrekestelling van 30 september 2021 rechtsgeldig is. Gelet hierop verklaart de rechtbank het beroep gegrond en stelt zij vast dat de staatssecretaris een dwangsom van €1.442,- aan eiser verschuldigd is. Tevens wordt de staatssecretaris opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar te nemen.
De rechtbank legt een aanvullende dwangsom op van €100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, tot een maximum van €15.000,-. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en de proceskosten. De zaak wordt als van gering gewicht beschouwd omdat het uitsluitend gaat om de vraag of tijdig is beslist en de vaststelling van een dwangsom.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een dwangsom op wegens niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.