ECLI:NL:RBDHA:2022:11816
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek WW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Eiser ontving een WW-uitkering die door het UWV per 30 mei 2011 werd herzien, waarbij een bedrag van €6.032,90 bruto werd teruggevorderd over de periode 2011-2013. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde onder meer bezwaar aan tegen het gebruik van de term 'fraude', wat later werd aangepast. Na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep, diende eiser in 2020 een herzieningsverzoek in, dat door het UWV werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
Eiser baseerde zijn herzieningsverzoek op een intern UWV-memorandum uit 2013, dat hij in 2020 in zijn dossier aantrof. De rechtbank oordeelde dat dit memorandum geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde, aangezien het stuk al in 2014 bekend was en in de beroepsprocedure betrokken had kunnen worden. De rechtbank vond het besluit van het UWV niet evident onredelijk en concludeerde dat het herzieningsverzoek terecht werd afgewezen.
De rechtbank wees het beroep af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het herzieningsverzoek WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.