ECLI:NL:RBDHA:2022:11818
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker heeft een aanvraag om een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ingediend, welke door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen is afgewezen. Het bezwaar van verzoeker tegen deze afwijzing is eveneens ongegrond verklaard. Verzoeker heeft daarop een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat een voorlopige voorziening alleen wordt toegekend indien er sprake is van onverwijlde spoed. In financiële geschillen is dat slechts zelden het geval, omdat het bedrag in kwestie na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald, inclusief wettelijke rente. Er moet sprake zijn van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood.
Ter zitting heeft verzoeker erkend dat er geen sprake is van dreigende schulden, zoals het afsluiten van nutsvoorzieningen of ontruiming van de woning. Ook is het kredietlimiet op zijn betaalrekening nog niet bereikt. Bovendien heeft verzoeker aangegeven dat hij per 31 oktober 2022 weer aan het werk gaat als juridisch medewerker, waardoor hij spoedig over inkomsten zal beschikken.
Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.