ECLI:NL:RBDHA:2022:11818

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 november 2022
Publicatiedatum
10 november 2022
Zaaknummer
22/6173
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een aanvraag om een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ingediend, welke door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen is afgewezen. Het bezwaar van verzoeker tegen deze afwijzing is eveneens ongegrond verklaard. Verzoeker heeft daarop een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat een voorlopige voorziening alleen wordt toegekend indien er sprake is van onverwijlde spoed. In financiële geschillen is dat slechts zelden het geval, omdat het bedrag in kwestie na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald, inclusief wettelijke rente. Er moet sprake zijn van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood.

Ter zitting heeft verzoeker erkend dat er geen sprake is van dreigende schulden, zoals het afsluiten van nutsvoorzieningen of ontruiming van de woning. Ook is het kredietlimiet op zijn betaalrekening nog niet bereikt. Bovendien heeft verzoeker aangegeven dat hij per 31 oktober 2022 weer aan het werk gaat als juridisch medewerker, waardoor hij spoedig over inkomsten zal beschikken.

Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6173

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 november 2022 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. O. Sahin),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: M.A. Brouwer).

Procesverloop

In het besluit van 27 september 2022 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een uitkering krachtens de Werkloosheidswet afgewezen.
In het besluit van 11 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 oktober 2022 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Ter zitting heeft verzoeker erkend dat er geen sprake is van dreigende schulden zoals het afsluiten van nutsvoorzieningen of het ontruimen van zijn woning, zodat er geen sprake is van een acute financiële noodsituatie. Ook heeft hij niet betwist dat hij het kredietlimiet op zijn betaalrekening nog niet heeft bereikt. Dat de financiële situatie van verzoeker anders zou zijn als hij niet rood kan staan, is nu niet van belang. Verder komt betekenis toe aan de mededeling van verzoeker dat hij per 31 oktober 2022 aan het werk gaat als juridisch medewerker bij de belastingdienst voor 32 uur per week en zonodig 40 uur per week, waardoor hij binnen zeer afzienbare tijd over inkomsten beschikt.
4. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.S.M. Kraan, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.