ECLI:NL:RBDHA:2022:11822

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 april 2022
Publicatiedatum
10 november 2022
Zaaknummer
NL22.5613
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b lid 3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b lid 4 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens onvoldoende voortvarendheid

Eiser, van Poolse nationaliteit, is op 1 april 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 11 april 2022.

Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld omdat zijn vlucht naar Polen pas op 13 april 2022 gepland stond, terwijl er dagelijks meerdere vluchten beschikbaar zijn. Verweerder stelde dat de overdracht afhankelijk is van meer factoren dan alleen de theoretische beschikbaarheid van vluchten, zoals toestemming van de Koninklijke Marechaussee en de Poolse autoriteiten en de aanwezigheid van voldoende begeleiding.

De rechtbank stelde vast dat verweerder binnen een week na de inbewaringstelling diverse noodzakelijke handelingen heeft verricht, waaronder het aanvragen van de vlucht, het verkrijgen van toestemming van betrokken autoriteiten, het voeren van een vertrekgesprek en het samenstellen van reisdocumenten. Eiser heeft deze feiten niet weersproken.

De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.5613
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw Becker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1973] .
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist.
Voortvarendheid
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser is op 1 april 2022 in bewaring gesteld, maar zijn vlucht naar Polen staat pas op 13 april 2022 gepland. Er gaan dagelijks veel vluchten naar Polen, waardoor eiser ook al eerder overgedragen had kunnen worden.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de overdracht van eiser afhankelijk is van meer dan alleen de theoretische beschikbaarheid van vluchten. Zo moeten de Koninklijke Marechaussee en de Poolse autoriteiten eerst toestemming geven voor de vluchtdatum, omdat op het moment van de overdracht bijvoorbeeld voldoende begeleiding aanwezig moet zijn. In het geval van eiser heeft verweerder verschillende handelingen verricht na de inbewaringstelling van eiser op 1 april 2022. Op 5 april 2022 is een vlucht aangevraagd voor 13 april 2022 en toestemming verkregen van de Koninklijke Marechaussee. Op 6 april 2022 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden. Op 7 april 2022 is er een rappel gestuurd naar de Poolse autoriteiten om akkoord te gaan met de vluchtdatum en de Poolse autoriteiten zijn dezelfde dag nog akkoord gegaan. Daarna is een aanvraag gedaan om de reisdocumenten van eiser samen te stellen en te kijken of hij reisgeld mee kan krijgen. Op 8 april 2022 is eiser in kennis gesteld van de vluchtdatum. Eiser heeft het voorgaande niet weersproken. Verweerder heeft dus verschillende handelingen moeten uitvoeren voordat eisers overdracht daadwerkelijk kan plaatsvinden. Verweerder heeft deze handelingen binnen een week verricht en dat is naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 april 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.