ECLI:NL:RBDHA:2022:11871

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 november 2022
Publicatiedatum
10 november 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 8171
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening parkeerbelasting 2021 gemeente Den HaagArt. 225 lid 2 GemeentewetArt. 3 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingenArt. 139 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting en rechtsgeldigheid verordening

Op 17 april 2021 stond de auto van eiser stil op een parkeerplaats in Den Haag zonder dat de parkeerbelasting was voldaan. Verweerder legde een naheffingsaanslag op van € 67,30. Eiser betwistte de aanslag met het argument dat er geen sprake was van parkeren, omdat de auto slechts kort stil stond om iemand te laten instappen. Daarnaast stelde eiser dat de Verordening parkeerbelasting 2021 onverbindend was vanwege te late bekendmaking van het maximale bedrag aan naheffingskosten.

De rechtbank overwoog dat parkeren volgens de verordening het gedurende een aaneengesloten periode laten staan van een voertuig is, met uitzondering van onmiddellijk in- of uitstappen. De bewijslast dat dit het geval was, lag bij eiser. De rechtbank vond dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van onmiddellijk in- of uitstappen, mede omdat de foto’s een afgesloten auto zonder personen tonen.

Verder oordeelde de rechtbank dat de verordening niet onverbindend is, ondanks dat het maximale bedrag aan naheffingskosten niet vóór 1 september 2020 in de Staatscourant was bekendgemaakt. Dit had geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de verordening, omdat de bekendmaking vooral dient voor tijdige vaststelling door de gemeenteraad.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de verordening parkeerbelasting 2021 is rechtsgeldig.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 21/8171

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

2 november 2022 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema, LLB),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 5 november 2021 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2022.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A]. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De gemachtigde van eiser is bij aangetekende brief van
2 september 2022, waarin plaats en tijdstip van de zitting zijn vermeld, uitgenodigd voor de zitting. Deze uitnodiging is verzonden aan het adres [postbusadres] [nummer], [postcode] te [plaats 1]. Uit informatie afkomstig van PostNL blijkt dat de uitnodiging op 5 september 2022 is opgehaald bij een PostNL-punt. Eiser is aldus tijdig en op juiste wijze uitgenodigd voor de zitting.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op 17 april 2021 om 13:28 uur, stond de auto van eiser met kenteken [kenteken] (de auto) stil aan de [straat] te [plaats 2] (de locatie). Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders van deze gemeente aangewezen als een parkeerplaats voor betaald parkeren.
2. Tijdens een controle op voormelde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding daarvan is een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 67,30, bestaande uit € 2,00 aan parkeerbelasting en € 65,30 aan kosten.
3. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat geen sprake is van parkeren. De auto heeft alleen kort stilgestaan in het parkeervak om iemand te laten instappen. Eiser stelt daarnaast dat de Verordening parkeerbelasting 2021 van de gemeente Den Haag onverbindend is op het punt van de kosten van de naheffingsaanslag, omdat het daaraan ten grondslag liggende Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit) te laat is gepubliceerd. Tot slot verzoekt eiser om verweerder te veroordelen in een proceskostenvergoeding. Hij verzoekt ook om wettelijke rente over deze vergoeding en over het griffierecht.
4. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken.
Is sprake van parkeren?
5. Op grond van artikel 1 van Pro de Verordening parkeerbelasting 2021 van de gemeente Den Haag wordt, in overeenstemming met artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet, onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
6. Niet in geschil is dat de auto van eiser op de onder 1. genoemde datum en tijdstip stond op de locatie, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Dit wordt onderschreven door de door verweerder overgelegde scanfoto’s van de auto. In zoverre is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. De bewijslast dat in dit geval sprake was van een uitzondering, namelijk het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, rust op eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.
7. Eiser heeft aangevoerd dat hij de auto kort heeft stilgezet in een parkeervak om iemand te laten instappen. Met deze enkele stelling maakt eiser niet aannemelijk dat zijn auto slechts gedurende zeer korte tijd op de parkeerplaats stilstond en dat sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op de door verweerder overgelegde foto’s een afgesloten auto zichtbaar is, stilstaand in een parkeervak. Er zijn op de foto’s geen personen zichtbaar rondom de auto. Eiser heeft niet ontkend dat hij enige tijd heeft staan wachten. Dit betekent dat sprake is van parkeren. Gelet hierop is de naheffingsaanslag terecht aan eiser opgelegd.
8. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat uit de door eiser aangevoerde uitspraak van rechtbank Amsterdam [1] geen verplichting voor verweerder volgt om een extra controle te laten uitvoeren door een parkeercontroleur om na te gaan of sprake was van onmiddellijk in-/uitstappen van personen. Daarmee aanvaardt verweerder echter wel het risico dat inherent is aan het bewijs van een scanfoto, namelijk dat gebeurtenissen die zich vlak voor of na de momentopname hebben voorgedaan, buiten beeld blijven. Met het enkele overleggen van de scanfoto’s kan verweerder in principe aan zijn bewijslast voldoen, maar dat neemt niet weg dat eiser met zijn verklaringen en onderbouwing voldoende aannemelijk zou kunnen maken dat sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen. Gelet op wat hiervoor onder 6. en 7. is overwogen, is eiser evenwel niet in deze bewijslast geslaagd.
Hoogte kosten naheffingsaanslag
9. Uit artikel 3 van Pro het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen volgt dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties jaarlijks voor 1 september in de Staatscourant bekendmaakt hoe hoog de kosten die in rekening worden gebracht bij het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting maximaal mogen zijn. Dit maximale bedrag geldt voor het daaropvolgende kalenderjaar. De rechtbank stelt vast dat de Minister dit bedrag op 1 september 2020 in de Staatscourant bekend heeft gemaakt voor het jaar 2021 en dus niet vóór 1 september 2020. Eiser stelt dat, nu het maximale bedrag niet voor 1 september 2020 bekend is gemaakt, de Verordening parkeerbelasting 2021 van de gemeente Den Haag op het punt van de hoogte van de naheffingskosten onverbindend is.
10. Op grond van artikel 139 van Pro de Gemeentewet verbinden besluiten die algemeen verbindende voorschriften zijn, alleen wanneer ze zijn bekendgemaakt in het gemeenteblad. De Verordening parkeerbelasting 2021 van de gemeente Den Haag is op 4 november 2020 vastgesteld en op 23 december 2020 bekendgemaakt. [2] In zoverre is de Verordening parkeerbelasting 2021 dus niet onverbindend. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de bekendmaking van het maximale bedrag aan kosten in de Staatscourant voor 1 september, niet dient tot rechtsbescherming van een belastingplichtige, maar enkel te maken heeft met het tijdig, namelijk vóór aanvang van het nieuwe jaar, kunnen vaststellen van de (concept)verordening door de gemeenteraad. Dat het jaarlijkse maximum aan kosten een dag te laat bekend is gemaakt heeft in dit geval niet tot gevolg gehad dat de Verordening niet of te laat kon worden vastgesteld en heeft naar het oordeel van de rechtbank geen gevolgen.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 21 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2740.
2.Gemeenteblad 2020, 345785.