ECLI:NL:RBDHA:2022:11871
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting en rechtsgeldigheid verordening
Op 17 april 2021 stond de auto van eiser stil op een parkeerplaats in Den Haag zonder dat de parkeerbelasting was voldaan. Verweerder legde een naheffingsaanslag op van € 67,30. Eiser betwistte de aanslag met het argument dat er geen sprake was van parkeren, omdat de auto slechts kort stil stond om iemand te laten instappen. Daarnaast stelde eiser dat de Verordening parkeerbelasting 2021 onverbindend was vanwege te late bekendmaking van het maximale bedrag aan naheffingskosten.
De rechtbank overwoog dat parkeren volgens de verordening het gedurende een aaneengesloten periode laten staan van een voertuig is, met uitzondering van onmiddellijk in- of uitstappen. De bewijslast dat dit het geval was, lag bij eiser. De rechtbank vond dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van onmiddellijk in- of uitstappen, mede omdat de foto’s een afgesloten auto zonder personen tonen.
Verder oordeelde de rechtbank dat de verordening niet onverbindend is, ondanks dat het maximale bedrag aan naheffingskosten niet vóór 1 september 2020 in de Staatscourant was bekendgemaakt. Dit had geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de verordening, omdat de bekendmaking vooral dient voor tijdige vaststelling door de gemeenteraad.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de verordening parkeerbelasting 2021 is rechtsgeldig.