ECLI:NL:RBDHA:2022:11883

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 augustus 2022
Publicatiedatum
10 november 2022
Zaaknummer
21/3835
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WW-uitkering wegens verblijf in buitenland zonder bijzondere omstandigheden

Eiser heeft na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst bij HEAD Aerospace op 30 november 2020 een WW-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft dit geweigerd per 1 oktober 2020 omdat eiser verwijtbaar werkloos zou zijn. In bezwaar heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en aangevoerd dat eiser niet in aanmerking komt voor de uitkering omdat hij vanaf 1 oktober 2020 niet in Nederland verbleef en daardoor niet beschikbaar was voor arbeid.

Eiser stelt dat hij vanwege corona gedwongen was in China te verblijven en dat dit overmacht is, waardoor hem dit verblijf niet kan worden tegengeworpen. De rechtbank overweegt dat artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW bepaalt dat werknemers die buiten Nederland verblijven, anders dan wegens vakantie, geen recht op uitkering hebben. Dit is een dwingendrechtelijke bepaling zonder ruimte voor individuele omstandigheden.

Hoewel bijzondere omstandigheden tot een andere uitkomst kunnen leiden, worden deze slechts bij hoge uitzondering aangenomen. Het verblijf in China vanwege corona vormt geen bijzondere omstandigheid omdat niet is geconcretiseerd dat eiser niet naar Nederland kon reizen. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser geen recht heeft op WW-uitkering. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser geen recht heeft op WW-uitkering vanwege verblijf in het buitenland zonder bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/3835 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

gemachtigde: mr. C. Steijgerwalt,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)verweerder
gemachtigde: C. Schravesande.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om per 1 oktober 2020 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aan eiser te betalen.
Bij besluit van 29 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van afwezigheid, niet in persoon, noch bij gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser was laatstelijk werkzaam bij HEAD Aerospace (ex-werkgever). Nadat de arbeidsovereenkomst van eiser werd beëindigd, heeft eiser op 30 november 2020 een WW-uitkering aangevraagd.
2. Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat eiser per 1 oktober 2020 wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet wordt uitgekeerd omdat eiser verwijtbaar werkloos is. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd onder wijziging van de motivering. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser per 1 oktober 2020 niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering omdat eiser vanaf 1 oktober 2020 niet in Nederland verbleef en daardoor niet beschikbaar was voor arbeid.
4. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert hiertegen aan dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Daarbij geldt dat eiser in China moest verblijven ten gevolge van corona, zodat hem dit verblijf niet kan worden tegengeworpen nu sprake was van overmacht, aldus eiser.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1.
De werknemer die buiten Nederland woont of verblijft houdt, anders dan wegens vakantie, heeft op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW geen recht op uitkering. Deze uitsluitingsgrond houdt verband met het feit dat een werknemer die in het buitenland verblijf houdt niet beschikbaar is voor de Nederlandse arbeidsmarkt en dus niet aan de voorwaarden voor het recht op uitkering voldoet.
5.2.
Om te beoordelen of voornoemde uitsluitingsgrond op eiser van toepassing is zijn de feitelijke omstandigheden van het geval beslissend. Eiser heeft tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase gemeld dat hij vanaf februari 2020 het hele jaar in China is verbleven. In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat dit overmacht is en niet aan eiser kan worden tegengeworpen. Nu eiser erkent dat hij in China verbleef, neemt de rechtbank als gegeven aan dat sprake was van verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser volgens zijn arbeidsovereenkomst inwoner van Beijing is.
5.3.
Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW is een dwingendrechtelijke bepaling die geen ruimte biedt om bij de toepassing ervan rekening te houden met de individuele omstandigheden en de redenen waarom eiser buiten Nederland heeft verbleven. In lijn met het door verweerder gestelde verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 juni 2021 (ECLI:NLCRVB:2021:1512).
5.4.
Dit neemt niet weg dat, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien niet verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen.
5.5.
De stelling van eiser dat hij in China moest blijven ten gevolgen van corona, vormt niet zonder meer een bijzondere omstandigheid die moet leiden tot het buiten toepassing laten van de dwingendrechtelijke bepaling als hier aan de orde. Immers, niet gebleken, althans niet geconcretiseerd is, dat eiser vanuit China niet naar Nederland heeft kunnen reizen. Dat van algemene bekendheid is dat in China de overheid zeer strikte maatregelen neemt met het oog op de corona en dat daarbij de bewegingsvrijheid van bewoners wordt beperkt, is daarvoor niet voldoende.
5.6.
Het voorgaande betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW geen recht had op een WW-uitkering.
6. De rechtbank komt gelet op het bovenstaande niet toe aan een oordeel over verwijtbare werkloosheid, welk standpunt verweerder ook overigens niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Poelgeest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.