ECLI:NL:RBDHA:2022:11883
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens verblijf in buitenland zonder bijzondere omstandigheden
Eiser heeft na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst bij HEAD Aerospace op 30 november 2020 een WW-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft dit geweigerd per 1 oktober 2020 omdat eiser verwijtbaar werkloos zou zijn. In bezwaar heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en aangevoerd dat eiser niet in aanmerking komt voor de uitkering omdat hij vanaf 1 oktober 2020 niet in Nederland verbleef en daardoor niet beschikbaar was voor arbeid.
Eiser stelt dat hij vanwege corona gedwongen was in China te verblijven en dat dit overmacht is, waardoor hem dit verblijf niet kan worden tegengeworpen. De rechtbank overweegt dat artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW bepaalt dat werknemers die buiten Nederland verblijven, anders dan wegens vakantie, geen recht op uitkering hebben. Dit is een dwingendrechtelijke bepaling zonder ruimte voor individuele omstandigheden.
Hoewel bijzondere omstandigheden tot een andere uitkomst kunnen leiden, worden deze slechts bij hoge uitzondering aangenomen. Het verblijf in China vanwege corona vormt geen bijzondere omstandigheid omdat niet is geconcretiseerd dat eiser niet naar Nederland kon reizen. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser geen recht heeft op WW-uitkering. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser geen recht heeft op WW-uitkering vanwege verblijf in het buitenland zonder bijzondere omstandigheden.