ECLI:NL:RBDHA:2022:11887
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering en beëindiging WW-uitkering over november 2020
Eiser ontving een WW-uitkering over november 2020 die verweerder later volledig terugvorderde omdat de door eiser opgegeven inkomsten niet overeenkwamen met de door de werkgever aan de Belastingdienst opgegeven bedragen. Verweerder beëindigde de WW-uitkering met terugwerkende kracht per 9 november 2020 omdat de inkomsten hoger waren dan 87,5% van het maandloon. Eiser maakte bezwaar tegen zowel de terugvordering als de beëindiging. Het bezwaar tegen de beëindiging werd gegrond verklaard, maar het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond.
Eiser stelde dat de terugvordering onterecht was en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat hij het bedrag van € 2.475,33 al had terugbetaald en dit bedrag volgens hem onjuist was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de juiste uitkering over november 2020 € 642,26 bedroeg en dat verweerder bevoegd was de te veel betaalde uitkering terug te vorderen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd afgewezen omdat er geen toezegging of gedraging van de overheid was waaruit eiser redelijkerwijs vertrouwen kon ontlenen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de terugvordering handhaafde en dat er geen dringende redenen waren om van de terugvordering af te zien. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd opgedragen de griffiekosten van eiser te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de WW-uitkering over november 2020 wordt ongegrond verklaard.