De eiser had een asielaanvraag ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling werd genomen, omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. De eiser stelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name met betrekking tot het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de situatie in Spanje.
De rechtbank oordeelde dat de motivering van het besluit gebrekkig was, omdat verweerder slechts verwees naar niet-gepubliceerde uitspraken zonder inhoudelijke toelichting op de door eiser aangehaalde rapporten. Hierdoor was niet duidelijk waarom de rapporten onvoldoende zouden zijn.
De rechtbank onderzocht ook of eiser door de handelswijze van verweerder in zijn belangen was geschaad en of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven. Hoewel er tekortkomingen zijn in de opvang in Spanje, bleek uit rapporten en jurisprudentie dat Spanje maatregelen heeft genomen en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen aanleiding was voor individuele garanties. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.