ECLI:NL:RBDHA:2022:11896
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep samen met een gerelateerde zaak behandeld, waarbij partijen niet verschenen.
De rechtbank concludeert dat uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiser eerder een asielaanvraag in Oostenrijk heeft ingediend en dat Oostenrijk het claimverzoek heeft geaccepteerd. Eiser stelde dat ook Zwitserland betrokken had moeten worden, maar dit verweer faalt. Daarnaast stelde eiser dat overdracht aan Oostenrijk zou leiden tot indirect refoulement vanwege het risico op discriminatie bij uitzetting naar Marokko, omdat Oostenrijk een ander beleid voert dan Nederland ten aanzien van Berbers.
De rechtbank benadrukt het interstatelijk vertrouwensbeginsel en oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn situatie niet geldt. Oostenrijk heeft garanties gegeven dat de asielaanvraag zorgvuldig wordt behandeld en dat uitzetting niet in strijd zal zijn met het verbod op refoulement. Het verschil in beleid tussen Nederland en Oostenrijk leidt niet tot een uitzondering op het vertrouwensbeginsel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.