AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning wegens gezinsleven met partner
Eiser, van Algerijnse nationaliteit en in het bezit van een Franse verblijfsvergunning, verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn partner in Nederland. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser zijn partnerrelatie niet voldoende had aangetoond, onder meer vanwege het ontbreken van een gelegaliseerde ongehuwdverklaring en bewijs van samenwoning.
In de beroepsprocedure erkende verweerder het gezinsleven tussen eiser en zijn partner, waardoor dit niet langer ter discussie stond. De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is vanwege deze erkenning, maar onderzocht of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand konden blijven.
De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging van verweerder een fair balance vormde, mede omdat eiser al een verblijfsvergunning voor Frankrijk bezit en er geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven daar voort te zetten. De impact op het gezin werd meegewogen, maar onvoldoende geacht om verblijf in Nederland toe te staan.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand conform artikel 6:22 AwbPro. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiser. Het beroep werd gegrond verklaard, maar toelating tot verblijf in Nederland werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
In het besluit van 15 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag van eiser om een vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd regulier voor verblijf bij partner ( hierna: referente) afgewezen.
In het besluit van 5 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder een tegen dit besluit gericht bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.18845, op 20 april 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser zijn partnerrelatie niet heeft aangetoond. Het Algerijnse document waarmee eiser wenst aan te tonen dat hij ongehuwd is, is niet gelegaliseerd. Eiser heeft evenmin aangetoond dat er sprake is van samenwoning. Er zijn geen objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Frankrijk of Algerije uit te oefenen. Verder is geen financiële afhankelijkheid of een hechte persoonlijke band aangetoond. Evenmin is aangetoond dat eiser privéleven in Nederland heeft opgebouwd dat van een zodanige aard is, dat hem om die reden verblijf in Nederland moet worden toegestaan.
3. In de beroepsprocedure heeft verweerder wel gezinsleven aangenomen tussen eiser en zijn partner, zodat dit niet meer in geschil is. Omdat dit in het bestreden besluit een dragend element is en eiser in beroep hiertegen gronden heeft gericht, is het beroep reeds daarom gegrond.
In het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank hieronder bezien of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien.
4. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij de beroepsgrond dat er geen sprake hoeft te zijn van een gelegaliseerde ongehuwdverklaring niet langer handhaaft.
5. Eiser heeft aangevoerd dat de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen. Verweerder heeft niet alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar bij deze belangenafweging betrokken. Eiser verwijst naar het arrest Jeunesse en stelt dat hier ook sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie: hij heeft aangetoond dat hij al meer dan 10 jaar in Nederland is en (islamitisch) is gehuwd met een vrouw met de Nederlandse nationaliteit en hij heeft een sterke familieband opgebouwd met het gezin en is aantoonbaar de biologische vader van het jongste kind. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de impact die de afwezigheid van eiser voor het gezin van referente zal hebben. Het is voor referente te zwaar om in haar eentje voor de kinderen te zorgen en op afstand contact kunnen houden doet geen recht aan de situatie. Emigratie is ook geen oplossing, gelet op de enorme impact die dit heeft op de kinderen van referente, die
daardoor het contact met hun biologische vader moeten missen. Eiser wijst op het rapport ‘The effect of family disruption on children’s personality (development: Evidence from British longitudinal data) en stelt dat het in het belang is van kinderen om op te groeien bij beide natuurlijke ouders. Eiser betrekt dit op de beide niet-biologische kinderen van eiser. Gelet op de jonge leeftijd zal ontwrichting van het gezin grote negatieve gevolgen hebben voor de ontwikkeling van de kinderen. Uitzetting van eiser is volgens hem dan ook in strijd met het bepaalde in artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).
Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder in een brief aan de Tweede Kamer heeft meegedeeld dat de algemene situatie in Algerije op een niveau is waarvan niet meer gezegd kan worden dat nog wordt voldaan aan de vereisten die de Procedurerichtlijn stelt voor het aanmerken van een land als veilig land van herkomst. Eiser heeft ook gewezen op de omstandigheid dat de coronasituatie in Frankrijk bijzonder slecht en in Algerije allerminst rustgevend is, waarbij wordt verwezen naar de reisadviezen van de Rijksoverheid.
Volgens eiser is dit een objectieve belemmering.
Eiser heeft voorts aangevoerd dat van hem niet mag worden gevergd om de Europese Unie te verlaten, omdat hij een verblijfsvergunning voor Frankrijk heeft. Dat verweerder dit in het bestreden besluit heeft opgenomen, levert een zorgvuldigheidsgebrek op.
6. De rechtbank stelt voorop dat eiser in het bezit is van een verblijfsvergunning voor Frankrijk, op grond waarvan mag worden aangenomen dat hij in Frankrijk zal worden toegelaten. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er geen uitzetting naar buiten de Europese Unie hoeft plaats te vinden.
7. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gemaakte belangenafweging
heeft geresulteerd in een ‘fair balance’. Verweerder heeft in het nadeel van eiser mogen
meewegen dat hij het familieleven is aangegaan zonder dat hij rechtmatig verblijf in Nederland had. Hierdoor heeft eiser verweerder voor een voldongen feit gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat uit het besluit niet blijkt dat verweerder de belangen van de kinderen onvoldoende heeft meegewogen. De kinderen van referente waren ten tijde van het bestreden besluit 19 en 14 jaar, waarbij het oudste kind is gehuwd en wordt geacht het gezin van eiser en referente te hebben verlaten. Het kind van eiser en referente was ten tijde van het bestreden besluit 2,5 jaar oud. Dat de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, heeft voor verweerder niet doorslaggevend hoeven zijn. Verweerder heeft mogen overwegen dat het feit dat eiser het verblijf in Nederland wordt ontzegd, niet betekent dat de kinderen en referente ook het verblijf in Nederland wordt ontzegd, of dat de eventuele verbreking van het gezinsleven hierdoor permanent van aard zal zijn. Het is de keuze van eiser om het familieleven in Frankrijk of Algerije voort te zetten, dan wel om zijn verblijf in Nederland te legaliseren of op een andere manier invulling aan het gezinsleven te geven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het eiser op grond van zijn Franse verblijfsvergunning is toegestaan om korte perioden in Nederland te verblijven. Voorts heeft eiser de stelling dat referente haar werkzaamheden niet meer zou kunnen uitoefenen zonder steun van eiser niet nader onderbouwd, nog afgezien van de vraag of dit tot toelating van eiser in Nederland zou moeten leiden.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op grond van het bovenstaande en in de omstandigheid dat sprake is van een samengesteld gezin geen aanleiding hoeven zien om een zeer uitzonderlijke situatie aan te nemen. Verder heeft verweerder van belang mogen vinden dat geen sprake is van objectieve belemmeringen om het familieleven in Frankrijk of Algerije uit te oefenen. Het is op zichzelf begrijpelijk dat het moeilijk zal zijn voor referente en de kinderen om naar Frankrijk of Algerije te verhuizen of om op afstand contact te hebben met eiser door middel van moderne communicatiemiddelen, maar dit betekent niet dat dit onmogelijk is of dat niet redelijkerwijs van hen mag worden verwacht om het gezinsleven op andere wijze invulling te geven dan tot nu toe het geval is geweest. Ook het contact met de biologische vader van de kinderen van referente kan zo nodig op afstand worden onderhouden. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie, waaronder begrepen de coronasituatie in Frankrijk en Algerije, niet zodanig uitzonderlijk is dat verweerder eiser op grond daarvan verblijf in Nederland zou moeten toestaan.
8. Het door eiser overgelegde rapport van Evidence from British longitudinal data geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit betreft een rapport met algemene bevindingen, dat niet nader is toegespitst op de situatie van eiser. De rechtbank verwijst naar hetgeen hierboven is overwogen over de verbreking van het gezinsleven en de door verweerder uitgevoerde belangenafweging. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb.
10. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden, omdat het beroep gegrond wordt verklaard.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding aan eiser betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3.0 punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift
met een waarde per punt van € 541,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.059,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.059,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 mei 2022
Documentcode: [nummer]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.