ECLI:NL:RBDHA:2022:12028

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2022
Publicatiedatum
15 november 2022
Zaaknummer
NL21.18845
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij gegrondverklaring beroep verblijfsvergunning

Verzoeker had een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Tegen deze afwijzing werd bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. Verzoeker stelde vervolgens beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening op 20 april 2022, waarbij verzoeker aanwezig was en bijgestaan werd door een gemachtigde, terwijl verweerder niet verscheen. Op grond van artikel 8:81 Awb Pro kan een voorlopige voorziening alleen worden verleend zolang de bodemprocedure loopt.

Omdat in de hoofdzaak het beroep gegrond werd verklaard (zaak NL21.18844), was er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom werd het verzoek afgewezen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoeker, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep in de hoofdzaak gegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.18845
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 15 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag van verzoeker om een vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd regulier voor verblijf bij partner afgewezen.
In het besluit van 5 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder een tegen dit besluit gericht bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL21.18844, op 20 april 2022 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een voorlopige voorziening alleen worden verkregen hangende de bodemprocedure.
2. Bij uitspraak van heden (zaaknummer: NL21.18844) van deze rechtbank is het beroep dat door verzoeker is ingediend gegrond verklaard. Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Om die reden zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.
3. Omdat het beroep gegrond is verklaard, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding aan eiser betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt
berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1.0 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Die punten hebben een waarde van € 759,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 759,-.
4. De voorzieningenrechter bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden, omdat het beroep gegrond wordt verklaard.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 mei 2022

Documentcode: [nummer]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.