ECLI:NL:RBDHA:2022:12037
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens veilig land van herkomst en criminele antecedenten
Eiser, van Tunesische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel na overplaatsing van strafrechtelijke detentie naar vreemdelingenbewaring. De aanvraag werd door verweerder afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Tunesië als veilig land van herkomst werd beschouwd en eiser een zwaar inreisverbod had vanwege ernstige criminele antecedenten.
Eiser voerde aan dat Tunesië onterecht als veilig land van herkomst werd aangemerkt en dat hij tijdens het verhoor had verklaard mishandeld te zijn door autoriteiten, wat volgens hem relevant was voor zijn asielaanvraag. De rechtbank oordeelde echter dat eiser alleen bezwaar maakte tegen het onderdeel over het veilige land van herkomst en niet tegen de andere gronden voor afwijzing. De rechtbank stelde vast dat verweerder het besluit terecht kon baseren op de onderdelen a en j van artikel 30b, die het besluit zelfstandig kunnen dragen.
De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat hij psychisch niet in staat was eenduidige verklaringen af te leggen, omdat dit niet aannemelijk was gemaakt. De aanvraag werd daarom terecht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.