Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2022
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Iraanse nationaliteitdragende persoon, reisde in februari 2020 met een visum voor kort verblijf naar Nederland om zijn ouders te bezoeken. Zijn visum werd verlengd tot 21 augustus 2020, waarna hij bezwaar maakte tegen de weigering van verdere verlenging. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
In november 2020 werd vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had en werd een terugkeerbesluit opgelegd, samen met het voornemen tot het opleggen van een inreisverbod. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank oordeelde dat de maximale verblijfsduur van 180 dagen was overschreden en dat verdere verlenging niet mogelijk was volgens de Vreemdelingenwet 2000 en de Visumcode. Daarnaast had eiser niet aangetoond dat hij niet eerder kon vertrekken, waardoor het terugkeerbesluit terecht was opgelegd. Het inreisverbod was inmiddels definitief en stond vast omdat daartegen geen rechtsmiddelen waren aangewend.
De rechtbank verklaarde het beroep in beide zaken ongegrond en bevestigde de besluiten van verweerder. Er is hoger beroep mogelijk tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van visumverlenging en het terugkeerbesluit met inreisverbod wordt ongegrond verklaard.