ECLI:NL:RBDHA:2022:12096

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2022
Publicatiedatum
15 november 2022
Zaaknummer
NL20.3957 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen ongegrondverklaring beroep in vreemdelingenrecht afgewezen

Opposant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, dat door de rechtbank zonder zitting kennelijk ongegrond werd verklaard. Tegen deze uitspraak is verzet ingesteld. Opposant betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep kennelijk ongegrond heeft verklaard, omdat onvoldoende rekening is gehouden met zijn status als statushouder in Griekenland en de situatie aldaar.

De rechtbank heeft het verzet behandeld en geoordeeld dat de eerdere beslissing juist was. De rechtbank stelt dat de staatssecretaris terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat opposant voldoende is bevraagd over zijn omstandigheden. Nieuwe informatie die na de uitspraak van maart 2020 bekend werd, kon niet worden meegewogen.

De rechtbank concludeert dat het beroep terecht kennelijk ongegrond is verklaard en verklaart het verzet ongegrond. De uitspraak van 3 maart 2020 blijft daarmee ongewijzigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.3957 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),

Procesverloop

Opposant heeft tegen het besluit op bezwaar van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 12 februari 2020 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 3 maart 2020 heeft de rechtbank het beroep zonder zitting ongegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het verzet op 21 juni 2022 op zitting behandeld. Opposant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De staatssecretaris was aanwezig bij zijn gemachtigde, mr. [A].

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als – voor zover hier van belang – het beroep kennelijk ongegrond is. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht.
2. In deze verzet zaak beoordeelt de rechtbank of zij terecht toepassing heeft gegeven
aan artikel 8:54 van Pro de Awb. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
Wat vindt opposant in verzet?
3. Opposant betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte kennelijk ongegrond
heeft geacht. Hij is statushouder in Griekenland en niet is de voorgeschreven procedure doorlopen die hoort bij bescherming in een andere lidstaat. Hij is slechts summier bevraagd over de situatie in Griekenland en er zijn ten onrechte aannames gedaan door verweerder over de situatie en leefomstandigheden in Griekenland, waardoor hij in zijn belangen is geschaad en de besluitvorming onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 juli 2021 en is van mening dat in onderhavige procedure onvoldoende is onderkend dat er sprake is van een situatie van materiele deprivatie zoals bedoeld in het Ibrahim-arrest voor statushouders bij terugkeer naar Griekenland. Er is ten onrechte niet getoetst is aan artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In wat opposant aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen
dan in de uitspraak van 3 maart 2020. De in verzet overgelegde informatie levert geen twijfel op over het oordeel dat de staatssecretaris ten aanzien van Griekenland ten tijde van het bestreden besluit kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook al was er destijds sprake van een slechte situatie in Griekenland. De staatsecretaris heeft opposant voldoende gevraagd over zijn leefomstandigheden in Griekenland. [1]
5. Toen de rechtbank op 3 maart 2020 uitspraak deed was de Afdelingsuitspraak nog
niet bekend. Nu dit informatie betreft die pas na de uitspraak bekend is geworden heeft de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat de rechtbank hier in de onderhavige zaak geen rekening mee heeft hoeven en kunnen houden.
6. Gelet hierop hoefde de rechtbank ook niet te beoordelen of opposant in aanmerking
kwam voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, Vw 2000.
7. Het bovenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat in de uitspraak van 3
maart 2020 op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat het beroep buiten redelijke twijfel ongegrond is.
Conclusie
8. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Dit betekent
dat de buiten-zittingsuitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. N.Y. Majoor, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Aanmeldgehoor, pagina 11, 12 en 23.