ECLI:NL:RBDHA:2022:12096
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen ongegrondverklaring beroep in vreemdelingenrecht afgewezen
Opposant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, dat door de rechtbank zonder zitting kennelijk ongegrond werd verklaard. Tegen deze uitspraak is verzet ingesteld. Opposant betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep kennelijk ongegrond heeft verklaard, omdat onvoldoende rekening is gehouden met zijn status als statushouder in Griekenland en de situatie aldaar.
De rechtbank heeft het verzet behandeld en geoordeeld dat de eerdere beslissing juist was. De rechtbank stelt dat de staatssecretaris terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat opposant voldoende is bevraagd over zijn omstandigheden. Nieuwe informatie die na de uitspraak van maart 2020 bekend werd, kon niet worden meegewogen.
De rechtbank concludeert dat het beroep terecht kennelijk ongegrond is verklaard en verklaart het verzet ongegrond. De uitspraak van 3 maart 2020 blijft daarmee ongewijzigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.