ECLI:NL:RBDHA:2022:12098
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid problemen in Ivoorkust
Eiser, een jongvolwassene met de Ivoriaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, waarbij hij stelde problemen te hebben ondervonden in de Ivoorkust. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond. Eiser voerde in beroep aan dat zijn asielrelaas geloofwaardig is en dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn traumatische achtergrond en medische toestand, evenals met communicatieproblemen tijdens de gehoren.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig achtte, maar dat de gebeurtenissen in de Ivoorkust onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt. De rechtbank stelde vast dat eiser tegenstrijdige en summiere verklaringen gaf over de reden van vertrek en onvoldoende concrete vrees voor terugkeer kon onderbouwen. Daarnaast was het gebruik van een niet-registertolk in de taal Dioula niet onzorgvuldig gebleken.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit zorgvuldig en gemotiveerd is genomen en dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Het beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.