ECLI:NL:RBDHA:2022:12220
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing verblijfsvergunning familie- of gezinslid
Verzoekster, van Filipijnse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier als familie- of gezinslid bij een referent. Deze aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen in het primaire besluit van 14 september 2021. Het bezwaar van verzoekster tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard in het besluit van 13 januari 2022.
Verzoekster stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De rechtbank behandelde het beroep samen met een gerelateerde zaak op 3 mei 2022. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit, waardoor de Staatssecretaris opnieuw moet beslissen op het bezwaar.
Omdat de werking van het primaire besluit op grond van artikel 73, eerste lid, van de Vreemdelingenwet is opgeschort totdat op het bezwaar is beslist, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer nodig en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het primaire besluit is opgeschort en de Staatssecretaris opnieuw moet beslissen op het bezwaar.