ECLI:NL:RBDHA:2022:12264
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden voor Dublinclaimant na aangifte mensenhandel
Eiseres, afkomstig uit Nigeria, diende meerdere asielaanvragen in Italië, Frankrijk en Nederland. Na afwijzing van haar asielaanvraag in Frankrijk en Nederland, deed zij in Nederland aangifte van mensenhandel. Verweerder kwalificeerde deze aangifte als aanvraag voor een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden, maar wees deze af omdat het Openbaar Ministerie (OM) geen opsporing en vervolging in Nederland noodzakelijk achtte.
Eiseres voerde aan dat het beleid ongelijk en onrechtmatig is, omdat Dublinclaimanten minder gunstige behandeling krijgen dan niet-Dublinclaimanten, wat in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en internationale richtlijnen. Zij stelde ook dat zij onterecht geen bedenktijd en verblijfsvergunning kreeg, waardoor haar rechten als slachtoffer van mensenhandel werden beperkt.
De rechtbank oordeelde dat het beleid rechtmatig is, het onderscheid tussen Dublinclaimanten en niet-Dublinclaimanten gerechtvaardigd is en niet in strijd met de richtlijn of het rechtszekerheidsbeginsel. Tevens is eiseres geen bedenktijd verschuldigd omdat zij gedurende de procedure rechtmatig verblijf had en bereid was tot medewerking. De rechtbank vond dat eiseres niet is benadeeld in haar rechten en dat het bezwaar terecht ongegrond is verklaard.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.