ECLI:NL:RBDHA:2022:12268

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 november 2022
Publicatiedatum
18 november 2022
Zaaknummer
NL22.19513
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 18 DublinverordeningArt. 25 DublinverordeningArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-inbehandelingname asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser, met de Somalische nationaliteit, diende op 24 maart 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 12 maart 2021 al een asielaanvraag in Frankrijk had ingediend. Op grond van de Dublinverordening is Frankrijk verantwoordelijk voor de behandeling van zijn aanvraag.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege tekortkomingen in de opvang en voorzieningen in Frankrijk, onderbouwd met het AIDA-rapport. Tevens stelde hij dat hij als medisch kwetsbare persoon individuele garanties nodig heeft en dat Nederland de aanvraag had moeten overnemen vanwege familiebanden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Frankrijk zijn verplichtingen niet nakomt. Zijn medische situatie is onvoldoende onderbouwd en de gestelde tekortkomingen in opvang en medische zorg zijn niet concreet aangetoond. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.19513

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.19514, op 10 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ter zitting is gebruikgemaakt van een telefonische tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum 2] en de Somalische nationaliteit te hebben. Op 24 maart 2022 heeft hij een asielaanvraag ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag. [1] Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 12 maart 2021 in Frankrijk een asielaanvraag heeft ingediend. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening is Frankrijk verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft op grond hiervan een verzoek om terugname gedaan. Op 13 mei 2022 heeft Frankrijk het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Frankrijk op grond van artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening vaststaat.
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Frankrijk niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat hij geen opvang zal krijgen en verstoken zal worden van andere (medische en juridische) voorzieningen. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar de update van het AIDA-rapport van 8 april 2022. [2] Verder voert eiser aan dat hij vanwege zijn medische situatie dient te worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar als bedoeld in het arrest Tarakhel [3] waarvoor individuele garanties dienen te worden opgevraagd. Tot slot voert eiser aan dat verweerder de aanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening nu er familieleden in Nederland aanwezig zouden zijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser.
5. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Frankrijk haar internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Eisers stelling dat uit het AIDA-rapport zou blijken dat het aantal geregistreerde asielzoekers substantieel hoger is dan het aantal dat wordt opgenomen in opvanglocaties en hierom sprake zou moeten zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure, wordt niet gevolgd. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt in het bestreden besluit kunnen er verschillende redenen zijn waarom een asielzoeker niet wordt opgenomen in een opvanglocatie. Verder volgt uit het AIDA-rapport dat 4% van de opvangplekken leeg blijven. [4] Eiser heeft dit niet gemotiveerd betwist.
De stelling van eiser dat de prefectuur eiser mogelijk geen
asylum claim certification’ (ook wel ‘asylum application certificate’) zal afgeven, omdat hij bij overdracht een opvolgende asielaanvraag indient na een eerdere afwijzing van een asielaanvraag, wordt niet gevolgd. Uit het AIDA-rapport volgt dat de prefectuur mogelijk geen ‘asylum claim certification’ afgeeft indien een asielzoeker een definitief besluit heeft op zijn eerste opvolgende asielaanvraag. [5] In eisers geval gaat het erom dat hij slechts een definitief besluit heeft op zijn eerste asielaanvraag en bij overdracht aan Frankrijk zijn eerste opvolgende asielaanvraag in behandeling wordt genomen. Verder volgt uit de uitspraak van 22 juni 2022 van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch [6] dat zelfs indien de ‘asylum application certificate’ wordt geweigerd de mogelijkheid bestaat om een aanvraagformulier toe te zenden aan OFPRA. [7] De OFPRA beoordeelt opvolgende asielaanvragen op ontvankelijkheid. Anders dan eiser stelt, impliceert dit naar het oordeel van de rechtbank dat de opvolgende asielaanvragen ook inhoudelijk kunnen worden beoordeeld. Daarbij hebben de Franse autoriteiten met het claimakkoord van 13 mei 2022 gegarandeerd eisers opvolgende asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Dit betekent ook dat als eiser bij overdracht onverhoopt geen medische zorg of juridische bijstand zou krijgen of als de opvangvoorzieningen onvoldoende zouden zijn, het op zijn weg ligt om daarover in Frankrijk te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Frankrijk hem niet zouden kunnen of willen helpen.
6. Verder heeft eiser zijn gestelde medische situatie niet met documenten onderbouwd. Hierdoor kan hij niet gevolgd worden in zijn stelling dat hij moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar als bedoeld in het arrest Tarakhel en verweerder voor de opvang van eiser in Frankrijk individuele garanties dient te verkrijgen.
7. Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser voor wat betreft de overige gronden van zijn beroep heeft volstaan met een herhaling van zijn zienswijze. Verweerder heeft hierop in het voornemen en het bestreden besluit gemotiveerd gereageerd. Nu eiser in beroep niet heeft aangevoerd waarom deze motivering onvoldoende of onjuist is, kan die motivering standhouden.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Asylum Information Database: Country Report: France, 8 april 2022.
3.HvJEU 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
4.Het AIDA-rapport 2022 van 8 april 2022, p. 106.
5.Het AIDA-rapport 2022 van 8 april 2022, p. 23.
6.Rb Den Haag, zp. Den Bosch 22 juni 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2589.
7.Office français de protection des réfugiés et apatrides.