Eiser, een Poolse staatsburger geboren in 1994, heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland op grond van het Unierecht. Verweerder heeft dit vastgesteld in een besluit van mei 2021 en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard in augustus 2021. Eiser stelde dat hij onvrijwillig werkloos is door de coronacrisis en dat hij een langdurig arbeidsverleden heeft, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf, omdat hij geen bewijs heeft geleverd van werkzoekend zijn of een reële kans op werk. De belangenafweging is niet ten onrechte in het nadeel van eiser uitgevallen, mede omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats, familie of taalvaardigheid in Nederland heeft.
Ten aanzien van de vertrektermijn heeft verweerder een termijn van 28 dagen opgelegd, wat te kort is volgens de Verblijfsrichtlijn die minimaal een maand voorschrijft. Echter, aangezien deze termijn inmiddels ruimschoots is verstreken en geen beperkende maatregelen zijn opgelegd, is het beroep hierover niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening is eveneens niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank wijst het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, af en veroordeelt verweerder niet tot proceskostenvergoeding.