ECLI:NL:RBDHA:2022:12361
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep samen met een andere zaak behandeld, waarbij partijen niet verschenen.
Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast vanwege tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem, waaronder onvoldoende opvang, discriminatie, gebrek aan kosteloze rechtsbijstand en risico op indirect refoulement naar Egypte. Hij verwees naar diverse AIDA-rapporten ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. De Duitse autoriteiten garanderen via het claimakkoord naleving van internationale verplichtingen. Daarnaast is het Duitse systeem van rechtsbijstand in overeenstemming met de Procedurerichtlijn. Het verzoek tot heropening van de procedure op basis van een later ingediend stuk werd afgewezen.
De rechtbank concludeerde dat de omstandigheden van eiser niet zodanig zijn dat een uitzondering op de overdracht verantwoord is en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.