ECLI:NL:RBDHA:2022:12402
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting bij bezwaar verblijfsvergunning
Verzoekster heeft op 11 mei 2021 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke op 17 september 2021 is afgewezen door de staatssecretaris. Na het indienen van bezwaar en beroep, heeft de staatssecretaris het bezwaarbesluit van 7 mei 2022 ingetrokken, waarna verzoekster haar beroep introk maar haar verzoek om voorlopige voorziening handhaafde.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Verzoekster heeft toegelicht dat haar bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en dat de staatssecretaris heeft toegezegd haar niet uit te zetten zolang niet op het bezwaar is beslist.
De staatssecretaris verzet zich niet tegen de voorlopige voorziening voor zover het betreft het niet uitzetten van verzoekster. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt verboden totdat op bezwaar is beslist.